Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijval - (instemming, applaus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bijval zn. ‘instemming, applaus’
Nnl. bijval ‘instemming’ [1818; WNT resultaat].
Ontleend aan Duits Beifall ‘applaus, goedkeuring’, eerder al ‘hulp, ondersteuning’ [15e eeuw; Kluge], een afleiding met bei-, zie → bij 1, van het werkwoord fallen in de betekenis ‘ten deel vallen, komen naar’, zie → vallen.
Het Middelnederduits kende het zn. bival ‘hulp’ en het werkwoord bivallen ‘partij kiezen voor’. In het Middelnederlands betekende bivallen ‘aanvallen op’ [1287; CG II, Nat.Bl.D] of ‘zich voegen bij’ [ca. 1445; MNW]; deze laatste betekenis vindt men nog in vnnl. byval ‘toevoegsel’ [1636; WNT].
Lit.: C. de Vooys ‘Nedersaksische en Hoogduitse invloeden op de Nederlandse woordvoorraad’ in: Vooys 1947, 153; J. Verdam ‘Germanismen’, in: Volksalmanak der Mij. tot Nut van 't Algemeen 1891

EWN: bijval zn. 'instemming, applaus' (1818)
ANTEDATERING: vnnl. Hebben Wy dien aengaende ... genoegsaeme byval gekregen [1656; Copie, 6] (1818)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bijval* [toejuiching] {1818} van bijvallen; de huidige betekenis is overgenomen uit hoogduits Beifall.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bijval znw. m., de huidige bet. is overgenomen uit nhd. beifall.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† bijval znw. Ouder-nnl. in andere bett. dan de tegenwoordige. In de tegenwoordige bet. in het begin van de 19e eeuw opnieuw opgekomen onder invloed van hd. beifall. Bij het ww. † bijvallen, mnl. mnd. bîvallen ‘zich verenigen met, instemmen met’, nhd. beifallen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bijval m., verbaalabstr. van dial. bijvallen, hetz. als bevallen; vergel. meevallen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bijval, zn.: gehuchten of wijken die aan een gemeente grenzen en erop aangewezen zijn. Van het ww. Mnl. bivallen ‘zich voegen bij, zich verenigen met’. Zie ook bijvank.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bijval (Duits Beifall)

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

bijval. In een geestig stukje, geplaatst in de Mengelingen van den Gids voor 1840, no. 6, bl. 204 enz. wordt dit woord, in de beteekenis van goedkeuring, voor ongerijmd verklaard en geheel verworpen. Doch, mijns achtens, heeft de Schrijver daarbij te veel op de eigenlijke beteekenis van vallen gedrukt. Op denzelfden grond zou men bevallen, in den zin van behagen, bevallig voor behagelijk, en aanvallig, in gelijke beteekenis, voor verwerpelijk kunnen verklaren. Op de eigenlijke beteekenis van vallen, en de algemeen gebruikelijke van aanvallen lettende, zou men kunnen beweren, dat een aanvallig meisje, in goed Nederlandsch, niet anders kan beteekenen, dan een meisje, dat genegen is om aan te vallen. Zelfs al drukt men op de eerste beteekenis van vallen, laat zich bijval, in den zin van goedkeuring, nog verdedigen. Men denke namelijk aan de wijze van stemming door middel van boonen, bij vele geslotene gezelschappen, maatschappijen, en ook bij de Wetgevende Kamer van Frankrijk in gebruik. Wanneer nu iemand, ten voordeele van een persoon of zaak, eene witte boon in de stembus laat vallen, kan hij dan niet gezegd worden aan dien persoon, of die zaak zijn’ bijval te geven? Op grond van al het aangevoerde meen ik, dat bijval, in den zin van toestemming, goedkeuring, geenszins te verwerpen is. Ook is die beteekenis door het gebruik van goede Schrijvers reeds lang gewettigd, zoo dat Weiland, mijns oordeels, wel gedaan heeft met het woord, in den bedoelden zin, in zijn Woordenboek op te nemen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bijval toejuiching 1818 [WNT resultaat] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal