Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijna - (nagenoeg, haast)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bijna bw. ‘nagenoeg, haast’
Mnl. bina ouer al ‘haast overal’ [1276-1300; CG II, Lut.A]; ook binaer, bi naer [1285; CG II, Rijmb.] en binaest [1480; MNW].
Gevormd uit → bij 1 en → na. De Middelnederlandse vormen binaer en binaest zijn gevormd met resp.nader en → naast, de vergrotende en overtreffende trap van na.
Mnd. bina; ohd. bī nāh (nhd. beinah(e)); nfri. benei.
Ook de omgekeerde volgorde bestaat: zie → nabij ‘in de buurt (van)’.
Volgens Teirlinck was aan het begin van de 20e eeuw bijnaar “nog thans in Vlaanderen de gewone vorm”. In de zuidelijke dialecten ligt de klemtoon op het laatste lid, waardoor de -ij- wordt gereduceerd. De uitspraak is /bənā/.
Lit.: I. Teirlinck (1908) Zuid-Oostvlaandersch Idioticon, Gent; Philippa 1992b

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bijna* [op weinig na] {bina [bijna, ongeveer] 1276-1300} van middelnederlands bi [bij] + na [nabij].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bijna bijw., mnl. bînâ, ook bînaer, bînaest. Uit bij + na II resp. zijn compar. en superl. Bijnaar is in ʼt Vla. nog de gewone vorm. = nhd. beinahe, bij Luther nog bey nahe, mnd. bînâ “bijna, ongeveer”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bijna bijw., Mnl. bina: staat tot nabij als ons nochtans tot Hgd. dennoch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

byna: “amper, nie heeltemal nie”; Ndl. bijna (Mnl. bina, ook binaer (komp.) en binaest (sup.); in WVl. is bijnaar nog d. gew. vorm, wat o.a. ook by vRieb (23.11.1660) as bijnaer voorkom, sporadies nog by ouer geslag in S.A. gehoor.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bijna- (vert. van Engels near-)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bijna ‘bijwoord van hoedanigheid: op weinig na’ -> Sranantongo bèina ‘bijwoord van hoedanigheid: op weinig na’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bijna* bijwoord van hoedanigheid: op weinig na 1276-1300 [CG Lut.A]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal