Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bijgoochem - (sufferd; betweter)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wijgoochem [barg.: pedant persoon] {na 1950} < jiddisch weichoochem, van jiddisch wei [wee] < hoogduits Weh [verdriet, smart] + goochem < hebreeuws ḥākhām [wijs] (vgl. goochem).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

bijgoochem sufferd; betweter. In 1935 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. Ook aangetroffen als wijgoochem. Als afleiding is bijgoochemerij gevonden. Zie verder bij goochem en wijgoochem.
— As Scheeltje en Snoekie dat wiste, zou ’k over de heele vlakte voor ’n bijgoogum verslete worre. ¶ Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar (1935), p. 87. De schrijver verklaart de betekenis (‘suffer’) in een voetnoot.
— Kordaat liepen we op de bar af. Ierse Appie werd op z’n arm getikt door een bijgoochem en keek onze richting uit. Een blik die niet veel te verbergen had. ¶ Jan Cremer, Ik, Jan Cremer (Tweede Boek) (1966), p. 181
— ‘We kunnen nu wel op de Russen zitten schelden, maar Amerikanen zijn precies even grote bijgoochems.’ ¶ M. van Amerongen, De roerige wereld van Pistolen Paul (1968), p. 27. De schrijver verklaart de betekenis (‘betweter’) in een woordenlijst.

wijgoochem waanwijs, pedant persoon. In 1916 voor het eerst aangetroffen, in De Nieuwe Taalgids, in een artikel over ‘Het Joods in Nederland’. Ook aangetroffen als bijgoochem, weegoochem, weigogem, wijgogem, enzovoort. Van het Jiddische weichoochem, een samenstelling van wei (‘smart’) plus chochem (‘wijs’); eigenlijk dus iemand wiens eigenwijsheid tot ellende leidt. In de jaren zestig in Amsterdam ook gebruikt in ‘verachtelijke toepassing op een jonge, pas beginnende souteneur’. Zie verder bij goochem.
— Wisten die stijfkoppige gammers, die wijgoochems van kunstkenners en kunstprefesters veel, met al hun privilegiën. ¶ Is. Querido, Het volk God’s dl 2 (1932), p. 210. De schrijver verklaart de betekenis (‘betweters’) in een voetnoot.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bijgoochem, wijgoochem: (Bargoens) onbenul, sufferd. Ook voor: bijdehand persoon, betweter, pedant iemand. In het prostitutiemilieu ook een kwaadaardige pooier, vooral eentje die pas begint. Volgens Endt (1974) via Joodse kringen in de lagere volkstaal doorgedrongen. De letterlijke betekenis van dit van oorsprong Jiddische woord is: meer dan wijs, waanwijs; iemand wiens zogenaamde wijsheid schade en verdriet berokkent. Goochem (wijs) + wij, dat eigenlijk én betekent en hier dus wordt gebruikt ter intensivering.

Jáá, die dokters binne me wij-choochems… (Israël Querido, Levensgang, 1901)
Hij verkocht in mekaar gestampte kerstboomballen als diamant aan bijgoochems en rijke boeren. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
‘Jij versjwartste nar,’ antwoordde vader razend van woede, ‘jij bijgoochem, moet jij me voorschrijven of je moeder naar het sanatorium moet.’ (Sal Santen, De kortste weg, 1979)

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

bijgoochem [bij’choochem] (mv.: -s), bijgochem (zn., bn.): pedant, waanwijs (persoon); (Barg.) jonge, pas beginnende souteneur | < weigoochem (zie aldaar).

— “Fransje is anders geen stommerik! Emmes niet!” zegt Jijje. “Noe al die akedemie mensche benne, bijgochems!” zegt hatelijk zuurvrouwtje. “Bijgochems, bijgochems, doe ’t ‘m na!” zegt Jijje. “Voor hem is ’t geen kunsjt!” schreeuwt een. “Fransje is een beste jonge, maar al wat ie weet, heeft ie geleerd op de akedemie!” (K. DE WIND, CA.1908)
— ‘Broeder Mok heeft gezegd, nog twee dagen en dan moet de crisis voorbij zijn. Zal de koorts wel zakken, heeft hij gezegd.’ ‘Zuster de Brave heeft van de dokters gehoord, dat hij van Witjas aan de beterende hand is.’ ‘Zuster de Brave is een bijgochem. Hoe kan ze zoiets zeggen. Hij van Witjas ligt al van gisteren met een scherm.’ Met een scherm liggen betekent, dat de engel des doods aan het hoofdeinde van het ziekbed staat. ‘Met een scherm? Hij van Witjas? Ik geloof, dat U zich vergist. Gisteren heb ik nog iemand gesproken, die bij hem op visite is geweest. Hij zat gebakken schelviskuitjes te eten, op bed! Volgende week komt hij weer naar huis.’ ‘Ik me vergissen? Bestaat niet. Als ik U zeg, dat hij met een scherm ligt, dan ligt hij met een scherm. Zoiets zegt men toch niet als het niet waar is. Ik weet het uit de eerste hand.’ ‘Weet U wat U voor een mens bent? U bent in staat iemand, die zo gezond is als een vis, het graf in te sjmoezen.’ (MEYER SLUYSER, 1958)
— We kunnen nu wel op de Russen zitten schelden, maar Amerikanen zijn precies even grote bijgoochems. (MARTIN VAN AMERONGEN, 1968)
— Hoewel Mark ooit eens de spottende bijnaam “ons bijgoocheme ideoloogje” had gekregen, werd hij door menigeen benijd om zijn kennis van de wereldproblemen in het algemeen en het zionisme in het bijzonder. (MINNY MOCK, 1979)

Zie ook kiebitser

weigoochem [wij’choochem] (mv.: -s), wèègoochem, weigogem, wijgogem, wijgoochem (zn., bn.): eigenwijs, waanwijs, pedant (persoon), betweter, wijsneus, die de(wei)gogme in pacht heeft; (Barg.) jonge, pas beginnende souteneur. Zo ook weikourage (uiterlijk vertoon van moed bij innerlijke angst of onzekerheid) en weisimge (zie aldaar) | volgens Voorzanger & Polak en Endt van Hebr. ‘chochom’: wijze, en ‘we’ dat ‘en’ betekent, maar ook een versterkende, intensiverende funktie kan hebben: te wijs. Volgens Beem en Noach van Jidd. ‘goochem’ + ‘wei’: smart, eigenlijk dus iemand wiens gogme tot ellende leidt.

— Essie, zelf niet lekker - al twee dagen most ze elk ogenblik op de ton, waar ze kreunde van kramppijn - troostte in drenzing, tegelijk met verwijten als wijs-joodse vrouw, die ’n schlemiel van ’n man heeft.
“...Schei uit met je gebler en geschreeuw!... Wat geeft ’t of-ie je nòù de sappel maakt?... had niet-zo geweest!... Hei-’k je nie daadlijk gezeid, dat je d’r an bekoch was!... An al wad-jij doet is geen mazzel, geen brooge... Hei-je laatst niet in je vingers gesneje met beurze appele, jij met je wijgoogeme kop! - (HERMAN HEIJERMANS, 1904)
— - Staant me zo’n vreempie, zo’n weigoochem mit ze gepeld eitje achterover, je weet wel, zo’n mexikaan,... tussen stikvolle kijkers... Maakt ie tege die mattedoor áls hoogop anmerkinge! (IS. QUERIDO, 1932)
— “Nee natuurlijk niet, wèègoochem!”
(Boy Zonderman in Klokhuis, 11 dec. 1995) (MONDELINGE BRON 1995)
— “Niet weigoochem doen!” (MONDELINGE BRON 1999)

Zie ook bijgoochem, kiebitser

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

weichoochem eigenwijs mens, betweter; eigenl. iemand wiens chochme z.a. tot schade en verdriet voert; nhd. weh + choochem.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

weigoochem, ook bijgoochem < jidd. < hd. weh en goochem; eigenwijs mens; iemand wiens zogenaamde wijsheid tot schade en verdriet voert.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal