Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bieden - (ter beschikking stellen, aanbieden, een bod doen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bieden ww. ‘ter beschikking stellen, aanbieden, een bod doen’
Onl. gebuit (imperatief) ‘gebied’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. biedet (3e pers. ev.) ‘biedt aan’ [1237; CG I, 39], ‘doen weten’ [14e eeuw; MNW], ‘bevelen, gebieden’ [1406; MNW], ‘ontbieden’ [2e helft 15e eeuw; MNW]; vnnl. bieden ‘een bod doen’ [1562; Naembouck].
Os. biodan; ohd. biotan ‘bekendmaken, voorhouden, aanbieden’ (nhd. bieten ‘ter beschikking stellen, aanbieden, een bod doen’); ofri. biāda ‘aanbieden, gebieden, dreigen, wensen’ (nfri. biede); oe. béodan ‘bevelen, aankondigen, aanbieden’ (ne. bid ‘bieden’); on. bjóða (nzw. bjuda); got. anabiudan ‘ontbieden, bevelen’, faúrbiudan ‘verbieden’; < pgm. *beudan-.
Verwant met Grieks peúthesthai, punthánesthai ‘ervaren, waarnemen, waken’; Sanskrit bódhati ‘hij ontwaakt, wekt, wordt gewaar’ (buddháḥ (verl.deelw.) ‘ontwaakt, verstandig’), bodháyati (causatief) ‘hij wekt, licht in, deelt mee’; Litouws bundù, bùsti ‘ontwaken’ en zonder nasaal budù, budéti ‘waken’; Oudkerkslavisch buždǫ, buditi ‘wekken’ (Tsjechisch budit ‘wekken’); Oudiers ad-bond ‘aan-, verkondigen’; bij de wortel pie. *bheudh-, met nasaal *bhu-n-dh- ‘wakker zijn, wekken, waarnemen, verkondigen, aanbieden, bevelen’ (IEW 150-151), waarbij de betekenissen ‘(aan)bieden, bevelen’ tot de Germaanse talen beperkt blijven. Mogelijk ontwikkelde de betekenis zich van ‘opmerkzaam maken’ en ‘waarschuwen’ tot ‘bevelen’.
In het Middelnederlands wordt het simplex nog gebruikt in betekenissen die later geheel zijn overgenomen door afleidingen als aanbieden, → gebieden, ontbieden en → verbieden.
Lit.: W. Porzig (1954) Die Gliederung des indogermanischen Sprachgebiets, Heidelberg, 122

EWN: bieden ww. 'ter beschikking stellen, aanbieden, een bod doen'; de vorm bieden (1237)
ANTEDATERING: bieden 'aanbieden, geven' [1151-1200; ONW]
{De eerste attestatie in het EWN moet aldus gewijzigd worden: Onl. in de afleiding gebiedan 'gebieden' als in: Gebuit (lees Gebiut) got crefti thinro 'Gebied, God, jouw macht' [10e eeuw; ONW].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bieden* [geven, aanbieden] {1201-1250 in de betekenis ‘doen weten, gelasten, aanbieden, beloven’} oudsaksisch biodan, oudhoogduits biotan, oudfries biada, oudengels beodan, oudnoors bjóða, gotisch biudan; buiten het germ. grieks peuthesthai [ik verneem], middeliers buide [erkentelijkheid], litouws budėti [waken], oudindisch bodhati [hij ontwaakt, wordt gewaar, hij komt weer bij], Buddha [de ‘Verlichte’].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bieden ww., mnl. bieden ‘gebieden, aanbieden, beloven’, daarnaast ook ‘ontbieden’, os. biodan ‘aanbieden’, ohd. biotan ‘gebieden, aanbieden’, ofri. biāda ‘gebieden, aanbieden’, oe. bēodan ‘gebieden, aanzeggen, ontbieden’, on. bjōðą ‘bieden, gebieden enz.’, got. anabiudan ‘bevelen’. — gr. peúthomai, punthánomai ‘vernemen, waarnemen’, oi. bodhati ‘ontwaken, waarnemen’, osl. bljuda, bljusti ‘opletten, behoeden’, lit. bundù, bùsti ‘ontwaken’, bauslỹs ‘bevel’, lett. baũslis ‘gebod’, oiers ro-bud ‘waarschuwing’, buide ‘dank’ (IEW 150-2). — Zie: bode.

Men zal wel moeten uitgaan van een begrip ‘wakker worden’, waaruit het ‘waarnemen’ volgt (voor de bet. ontw. zie S. Bugge, KZ 19, 1870, 441). Het westgerm. vertoont nu een bijzondere verdere ontwikkeling: opmerkzaam maken > waarschuwen > bevelen (zie Porzig, Gliederung der idg. Sprachen 1954, 122).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bieden ww., mnl. bieden “gebieden, aanbieden, beloven, toereiken, uitstrekken”, dial. ook “ontbieden”. = ohd. biotan “gebieden, aanbieden, toereiken” (nhd. bieten), os. biodan “aanbieden”, ofri. biâda “gebieden, aanbieden”, ags. bêodan “id., aanzeggen, aankondigen, ontbieden”, on. bjôða “id.”, got. anabiudan “bevelen”. Oergerm. *ƀeuðanan was een verbum dicendi (“zijn wil of wensch te kennen geven”); vgl. nog mnl. goeden dach bieden “goeden dag zeggen, groeten” en de ook in andere talen voorkomende samenstt. gebieden en verbieden. Buiten ’t Germ. vgl. ier. buide “dank”, kymr. bodd “vrije wil, toestemming”, gr. peúthomai “ik verneem, neem waar’, obg. bljudą, bljusti “opletten, behoeden”, bŭždą, bŭděti, lit. bundù, budė́ti “waken”, oi. bódhati “hij neemt waar, bemerkt, ontwaakt”. De bet. van ’t germ. ww. zou verklaarbaarder zijn, als het een causatief-formatie was (vgl. oi. bodháyati “hij maakt wakker, onderricht, deelt mee”); vgl echter hierboven kymr. bodd, en ook zien. Zie bode.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bieden o.w., Mnl. id., Os. biodan + Ohd. biotan (Mhd. bieten, Nhd. bieten), Ags. béodan (Eng. to bid), Ofri. biáda, On. bjóđa (Zw. bjuda, De. byde), Go. biudan + Skr. wrt. budh voor bhudh, Gr. peúthesthai = opmerkzaam zijn, Oier. bude = dank, Osl. bŭdjeti = waken, Lit. buděti: Idg. wrt. bheu̯dh.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

beeje (ww.) bieden; Vreugmiddelnederlands bieden <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bie ww. Ook bieë.
1. 'n Bod maak op iets wat te koop is. 2. (kaartspel) Die aantal trekke noem wat die speler verwag om te maak.
Uit Ndl. bieden.
D. bieten (9de eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bieden ‘een bod doen; aanbieden’ -> Papiaments bit, bider (ouder: bieder) ‘afdingen; een bod doen (op veiling); aanbieden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bieden* geven, aanbieden 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1436. Loven en bieden.

Eene sedert de middeleeuwen voorkomende uitdrukking, waarvan de oorspr. beteekenis in Noord-Nederland niet meer wordt gevoeld. Onder loven verstond men eene zekere som voor iets vragen, zoodat loven het werk is van den verkooper, die een prijs vraagt voor zijne waar, en bieden dat van den kooper, die zegt hoeveel hij er voor geven wil. Vgl. mnl. veilen ende bieden; Kiliaen: Loven om te verkoopen, indicare, aestimare, pretium statuere rei venali; zie verder het Mnl. Wdb. IV, 717; 851; Goedthals, 91: Met loven en bien vergaderen de cooplien; Smetius, 108: Met loven ende bijen, komptmen by malcanderen; Huygens, Trijntje Corn. 270; Ndl. Wdb. II, 2539; Molema, 247: Te lof en te bod komen (mnl. te love ende te bode staen, setten; Halma, 327: Te loof en te bod komen; fri. to loof en to bôd; love en biede); Van Helten, Over de Faktoren van Begripswijziging der Woorden, 20; Schuerm. 352 b; Antw. Idiot. 1882: Tusschen 't loven en bee(d)en komen de kooplie toteen.

2130. Het spits bieden,

d.w.z. weerstand bieden; eig. de punt van de gevelde lans van een zwaard of een degen bieden; vgl. Vondel, Maeghden, vs. 263: 't Zwaerd en 't spits voor haer gevelt. Zie verder Hooft, Ged. I, 145: Geen man soud licht van vooren hem hebben 't spits geboôn. - Ook zonder lidwoord in de tegenwoordige bet. o.a. in Vondel's Maeghden, vs. 250: U werd noch spits gebôon? Daer werd noch zwaerd noch pijl getrocken noch geschoten. Hiernaast kende men ook iemand de tand bieden (Tuinman I, 292); de punt van 't lemmer, van den degen bieden (Paffenrode, 5; 6); het spits der hellebaerden bieden (Pers, 862 a); (de) punt bieden, dat o.a. voorkomt bij Hooft, Ged. I, 255 en 286:

 Die met het spits rappier thans pooghden ujt te munten,
 Nu bieden in papier elkanderen de punten.

Ook in het hd. zegt men einem die Spitze bieten, es mit ihm aufnehmen; de. at byde En Spidsen. In Zuid-Nederland onbekend.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bheudh-, nasal. bhu-n-dh- ‘wach sein, wecken, beobachten; geweckt, geistig rege, aufmerksam sein, erkennen, oder andere dazu veranlassen (aufpassen machen, kundtun, gebieten; darbieten)’

Themat. Präs. in ai. bṓdhati, bṓdhate ‘erwacht, erweckt, ist wach, merkt, wird gewahr’, av. baoδaiti ‘nimmt wahr’, mit paitī- ‘sein Augenmerk worauf richten’ (= gr. πεύθομαι, germ. *biuðan, abg. bljudǫ); Aor. ai. bhudánta (= ἐπύθοντο), Perf. bubṓdha, bubudhimá (: germ. *bauð, *buðum), Partiz. buddhá- ‘erwacht, verstandig; erkannt’ (= gr. ἀ-πυστος ‘unkundig; unbekannt’), buddhí- f. ‘Einsicht, Verstand, Meinung, Absicht’ (= av. paiti-busti- f. ‘das Bemerken’, gr. πύστις ‘das Nachforschen, Fragen; Kunde, Nachricht’); Kausativ in ai. bōdháyati ‘erweckt; belehrt, teilt mit’, av. baoδayeiti ‘bemerkt, fühlt’ (= abg. buždǫ, buditi, lit. pasibaudyti); Zustandsverb in ai. budhyátē ‘erwacht, wird gewahr; erkennt’, av. buiδyeiti ‘wird gewahr’, frabuidyamnō ‘erwachend’; ai. boddhár- m. ‘Kenner’ ( : gr. πευστήρ-ιος ‘fragend’); av. baoδah- n. ‘Wahrnehmung, Wahrnehmungsvermögen’, Adj. ‘wahrnehmend’ (: hom. ἀ-πευθής ‘unerforscht, unbekannt; unkundig’); av. zaēni-buδra- ‘eifrig wachend’ (:abg. bъdrъ, lit. budrùs); av. baoiδi- ‘Wohlgeruch’ (= ai. bṓdhi- ‘vollkommene Erkenntnis’);
gr. πεύθομαι und πυνθάνομαι (: lit. bundù, air. ad-bond-) ‘erfahre, nehme wahr, wache’ (πεύσομαι, ἐπυθόμην, πέπυσμαι), πευθώ ‘Kunde, Nachricht’; πύστις, πεῦσις f. ‘Frage’;
cymr. bodd (*bhudhā) ‘freier Wille, Zustimmung’, corn. both ‘Wille’ (: aisl. boð), air. buide ‘Zufriedenheit, Dank’; hierher auch air. ad-bond- ‘ansagen, verkündigen’, uss-bond- ‘absagen, verweigern’ (z. B. Verbaln. obbad); hochstufig air. robud ‘Verwarnung’, cymr. rhybudd ‘Warnung’, rhybuddio ‘warnen’ (: russ. probudítь ‘aufwecken’);
got. anabiudan ‘befehlen, anordnen’, faúrbiudan ‘verbieten’, aisl. bjōða ‘bieten, anbieten, zu erkennen geben’, ags. bēodan, as. biodan, ahd. biotan ‘bieten, darbieten’, nhd. bietengebieten, verbieten, Gebiet’, eigentl. ‘Befehlsbereich’; aisl. boð n., ags. gebod n., mhd. bot n. ‘Gebot’, ahd. usw. boto ‘Bote’, ahd. butil (nhd. Büttel), ags. bydel ‘Bote, Gerichtsdiener’; got. biuþs, -dis ‘Tisch’, aisl. bjōðr, ags. bēod, ahd. beot, piot ‘Tisch; Schüssel’, eig. ‘worauf angeboten wird, Servierbrett’ (dazu auch ahd. biutta, nhd. Beute ‘Backtrog, Bienenkorb’).
Mit ū (vgl. Hirt Idg. Gr. II 96): got. anabūsns f. ‘Gebot’ (*-bhudh-sni-), as. ambūsan f. ds., ags. bȳsen f. ‘Beispiel, Vorbild’, aisl. bȳsn n. ‘Wunder’ (aus ‘*Warnung’), bȳsna ‘vorbedeuten, warnen’;
lit. bundù, bùsti ‘erwachen’ und (ohne Nasalinfix) budù, budė́ti ‘wachen’, bùdinu, -inti ‘wecken’, budrùs ‘wachsam’; Kausativ baudžiù, baũsti ‘strafen, züchtigen’; refl. ‘beabsichtigen’ (*bhoudh-i̯ō), baũdžiava ‘Scharwerk, Frondienst’, lit. bauslỹs ‘Befehl’, lett. baũslis ‘Gebot’, lett. bauma, baũme ‘Gerücht, Nachrede’ (*bhoudh-m-), lit. pasibaudyti ‘sich erheben, aufbrechen’, baudìnti ‘aufmuntern, Lust zu etwas erwecken’, apr. etbaudints ‘auferweckt’.
Themat. Präs. in abg. bljudǫ, bljusti ‘wahren, hüten, achtgeben’, russ. bljudú, bljustí ‘beobachten, wahrnehrnen’ (über slav. -ju aus idg. eu s. Meillet Slave commun2 58).
Kausativ in abg. buždǫ, buditi ‘wecken’, russ. bužú, budítь ds. (usw.; auch in russ.búdenь ‘Werktag’, wohl eig. ‘Wecktag’ oder ‘Tag für Frondienst’); Zustandsverb mit ē-Suffix in abg. bъždǫ, bъděti ‘wachen’, perfektiv (mit ne-/no-Suffix wie in gr. πυνθ-άνο-μαι, wo -ανο- aus -n̥no-, Schwyzer Gr. Gr. I 700) vъz-bъnǫ ‘erwache’ (*bhud-no-, aus einem Aor. des Typus gr. ἐπύθετο gebildet, usw., s. Berneker 106 f., auch über skr. bȁdnjī dȃn ‘Christabend’, bȁdnjāk ‘Holzscheit, das man am Weihnachtsabend ins Feuer legt’ usw.), abg. sъ-na-bъděti ‘φυλάττειν’; abg. bъdrъ ‘πρόθυμος; willig, bereit’, bъždrь ds., russ. bódryj ‘munter, stark, frisch’, skr. bàdar ‘lebhaft’.
Toch. В paut-, A pot ‘ehren’? (Van Windekens Lexique 87).

WP. II 147 f., Feist 41, 97, Meillet Slave commun2 202 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal