Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

biecht - (bekentenis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

biecht zn. ‘bekentenis’
Onl. begihte ‘biecht, bekentenis’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. bijchte ‘biecht’ [1236; CG I, 28], bygte ‘id.’ [1240; Bern.], biacht [ca. 1330; MNW], bijechte [ca. 1350; MNW], bigichte ‘verklaring, stellige verzekering’ [MNHW].
Gevormd uit Proto-Germaans *bi- (zie → be-) en *jihti-, waaruit Middelnederlandse zn. gicht(e) ‘bekentenis’. Bij gicht(e) ‘bekentenis’ hoorde ook een Middelnederlands werkwoord gien ‘bekennen’.
In de andere continentaal-West-Germaanse talen: os. bigihto; ohd. bijicht, bigiht (nhd. Beichte); ofri. bijechte (nfri. bycht). Zonder voorvoegsel, dus naast mnl. gicht, ook: mnd. gicht; ohd. jiht; ofri. jecht, gecht ‘bekentenis’, behorend bij pgm. *jehan- ‘spreken, verzekeren’, waaruit, naast mnl. gien, ook: os. gehan ‘bekennen’; ohd. jehan, gehan ‘id.’; on. ‘bekennen, beloven’. Sommigen, zoals Krogmann 1933, verbinden deze woordgroep met de Germaanse feestnaam Jul: oe. geohhol ‘kersttijd’ (ne. Yule); on. jól (nzw. jul); got. jiulei-s (mv.) ‘Joelmaand; december’; uit pgm. *jehla- ‘offerhandeling’, een vorm die dan zou samenhangen met *jeha-. Krogmann gaat ervan uit dat het joelfeest oorspr. een offerfeest was met smeekbeden, bezweringen. Dit ‘plechtig spreken’ kan verbonden worden met pgm. *jeha-. Deze interpretatie is echter weinig wrsch.
Buiten het Germaans is Middelwelsh ieith ‘taal’ (< *iekti-) verwant, en voorts misschien ook Latijn iocus ‘scherts’ (zie → joker); Umbrisch iuka, iuku (mv.) ‘smeekbeden’; Sanskrit (zeer onzeker) yácati ‘hij smeekt, eist’; bij de wortel pie. *iek- ‘(plechtig) spreken’ (IEW 503).
De voor-christelijke betekenis van de oorspr. Germaanse samenstelling *bi-jihti- was ‘plechtige verklaring’. Dit woord uit de sfeer van de rechtspraak heeft later van het in vorm overeenkomende christelijk Latijnse cōnfessio ‘(geloofs)belijdenis, biecht’ (zie → confessie) de betekenis ‘biecht’ overgenomen. De oorspr. betekenis is in mnl. bigichte behouden gebleven.
Mnl. gicht ‘bekentenis’ komt overeen met mnl. gicht ‘jicht (gewrichtsziekte)’ [ca. 1440] (zie → jicht). Men veronderstelde namelijk dat jicht werd veroorzaakt door het belezen, het uitbannen van een ziekte of van de duivel door bezweringsformules uit te spreken.
Lit.: W. Krogmann (1933) ‘Jul’, in: Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 60, 114 e.v.; F. Maurer/H. Rupp (1974) Deutsche Wortgeschichte I, Berlin, 160

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

biecht* [belijdenis (van zonden)] {oudnederlands begihte 901-1000, middelnederlands biachte, biecht(e) 1201-1250} we hebben met een tweelettergrepig woord te doen, een samenstelling van bi- [bij] + een simplex dat voorkomt als gicht(e), gechte, gifte [bekentenis, in rechte afgelegde verklaring], vgl. oudhoogduits bigiht, oudfries biiecht, biecht, oudsaksisch bigihto; van middelnederlands gien [een verklaring afleggen, bekennen], vgl. oudnederlands gian [bekennen], oudhoogduits gehan, jehan [idem]; buiten het germ. latijn iocus [scherts], van een i.-e. stam met de betekenis ‘spreken’, vgl. gêne. Het woord biecht is een vertalende ontlening van latijn confessio, van confitēri [bekennen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

biecht [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: volgens E. Polomé, RBPhH 44, 110 [1966] is de verbinding met osk. iúklei ‘offer’ te verwerpen; pústrei iúklei is blijkbaar de met lat. postero die overeenstemmende uitdrukking, zoals Krogmann, KZ 60, 125-129 [1932] heeft aangetoond. Wel verwant zou zijn umbr. iuku ‘preces’, of wellicht beter ‘verba’, zoals E. Vetter voorstelt.

biecht znw. v., mnl. biechte, biecht v. (met 2 lettergr. uitgesproken), onfrank. begiht v., os. bigihto m., ohd. bigiht v. (nhd. beichte), ofri. biiecht, biecht, bĭcht v. ‘bekentenis, biecht’. Daarnaast staat het simplex mnl. (noordnl.) ghicht(e) v., mnd. gicht, ohd. jiht, ofri. jecht, gecht v. ‘bekentenis’; een afl. van het mnl. ghien ‘verklaren, bekennen’, onfrank. gian ‘bekennen’; os. gehan, ohd. jehan, gehan ‘zeggen, bekennen’, ofri. (n), on. ‘zeggen, beloven’ < germ. *jehan; vgl. ook on. jātta (< *jehtōn) ‘verklaren, bekennen, inwilligen’ en dus = ohd. jihtan, ofri. iechta ‘bekennen’. — lat. jocus ‘scherts’, lit. juõkas ‘scherts’, oi. yācati ‘verzoekt, eist’, miers ieith (< *jekti) ‘taal’ (Lidén, ANF 3, 1886, 328) van idg. wt. *i̭ek ‘spreken’ (IEW 503).

Deze etymologie gaat dus uit van een bemiddelende grondbet. ‘spreken’, ook in het bijzonder ‘plechtig of verzoekend spreken’. — Anders Meringer WS 5, 1913, 190, die verbinden wil met got. jiuleis ‘joelmaand’, on. jōl, oe. geohol, geol ‘midwinterfeest’ (dat zelf niet minder duister is, vgl. AEW 292!); hij zoekt de verklaring dus op religieus gebied. Grondbet. zou zijn ‘een religieuze handeling verrichten’ en dan voor germ. *jehan ‘bezweren’. Ook verbindt men osk. iuklei ‘offer’, vgl. E. Rooth, Altgerm. Wortstudien 1926, 43 en Krogmann KZ 60, 1933, 114. De bet. ‘scherts’ in lat. en lit. zou zich dan uit de feestvreugde van de godsdienstige handeling laten afleiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

biecht znw., mnl. biechte, biecht (d.i.; bíjechte, bíjecht) v. = onfr. begiht (eindbetoning en be- naar begian), ohd. bigiht, bijiht (éénmaal bigihtî; nhd. beichte) v., os. bigihto m., ofri. bi(i)echt, bĭcht v. “bekentenis”, speciaal “biecht”. Een samenst. van *bi + *jiχti-, mnl. (noordndl.) ghicht(e), ohd. jihl, mnd. gicht, ofri. jecht, gecht v. “bekentenis”, dat een verbaalabstractum bij germ. *jeχanan, mnl. ghien “verklaren, bekennen”, onfr. gian “confiteri”, ohd. jëhan, gëhan, os. gëhan “zeggen, bekennen”, on. (vgl. *seχwanan > sjâ) “id., beloven” is. On. jâtta “toestemmen, inwilligen” = ohd. jâzen “ja zeggen” en hoort bij ’t bevestigingswoord ja, niet bij *jeχanan. Op du. en ndl. gebied komt *jehan ook met prefixen, o.a. met bi-, voor, in ’t Onfr. vinden we die samenst. 7 maal, het simplex éénmaal. *Bi-jiχti- zal wel onder invloed van lat. con-fessio ontstaan zijn. Verwant is in de eerste plaats kymr. iaith “taal”. Aangezien ’t ww. in het Got. niet voorkomt, is ’t niet uit te maken of de wgerm. h een germ. χ of χw is. In ’t eerste geval vgl. oi. yáças-, “roem”. In ’t tweede geval is formeel een combinatie met gr. hepsíā “spel”, got. jiuleis m. “julmonat”, on. ŷlir m. “laatste deel van November en eerste van December”, jôl o. mv., ags. geohhol, gêol o. “winterfeest, kerstmis” (eng. yule) mogelijk. Semantisch is dit echter zeer onwsch., evenzoo de combinatie met lit. jů͂kas, lat. jocus “scherts” of met oi. yā́cati, -te “hij smeekt, eischt”, waarmee umbr. iuka, -u “preces” verwant kan zijn. Te verwerpen is ook de combinatie met arm. asem “ik zeg”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

biecht. Aan mnl. ghien, onfr. gian enz. beantwoordt ofri. (n) ‘bekennen’.
Meringer WuS. 5, 190 vlgg. combineert got. jiuleis ‘julmonat’, on. jôl (de. zw. jul ‘kerstmis’), ags. geohhol, gêol ‘winterfeest’ alsmede oi. yā́cati, -te ‘hij smeekt’ door uit te gaan van een grondbet. ‘(een) religieuze handeling (verrichten)’. Vgl. ook Krogmann KZ. 60, 114 vlgg., die aan de germ. woorden een grondbet. ‘offeren’ (< ‘plechtig spreken’) wil toekennen. Zie jicht Suppl. Op deze wijze wordt de etymologie aannemelijker, al is niet alles boven twijfel gesteld. Ook gr. hepsíā ‘spel’, lat. jocus ‘scherts’ (formeel niet zonder bezwaar: idg. q!) lit. juõkas ‘id.’ acht M. verwant onder de overweging, dat met religieuze handelingen en plechtigheden vaak feestvreugde verbonden was.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

biecht v., Mnl. biechte, bijechte, Onfra. begiht + Ohd. bijicht (Nhd. beichte) = bekentenis, verbaalabstr. van *bi-jehan, Mnl. beghien = bekennen, gevormd van ghien, Onfra. gian, Os. gehan + Ohd. jehan (Mhd. jehen), On. : oorsprong onbek.; in sommige vormen werd de oorspr. j tot g gelijk in gist.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

beech (zn.) biecht; Aajdnederlands begihte <901-1000>.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

biecht ‘belijdenis van zonden’ (bet. van Latijn confessio)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Biecht van ’t Ohd. bi-jehan, waarin jehan (Os. gehan, Mnl. jehen) bet. zeggen, verklaren, belijden. Van dit jehen werd jicht gevormd (evenals bijv. van sehen of zien ’t znw. zicht). Biecht is dus oorspr. bi-jicht, d.i. belijdenis, bekentenis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

biecht ‘belijdenis (van zonden)’ -> Zweeds bikt ‘belijdenis (van zonden)’ (uit Nederlands of Nederduits); Javaans bih ‘belijdenis (van zonden)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

biecht* belijdenis (van zonden) 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

519. Bij den duivel te biecht gaan,

d.w.z. aan een vijand of iemand, die niet te vertrouwen is, zijne geheimen toevertrouwen. Ook vindt men bij den beul, den hangdief, den drommel of den droes, bij Bacchus te biecht gaan; zie Harrebomée III, 126; Antw. Idiot. 388; Waasch Idiot. 196 a; Jongeneel, 88; Joos, 105; Rutten, 59 a; Schuermans, Bijv. 74 b; Tuerlinckx, 166; Ndl. Wdb. II, 2533. Bij Zegerus (± 1550) komt de spreekwijze het eerst in hare tegenwoordige gedaante voor. Vgl. Doedyns, Merc. 431; ook Halma, 72: Bij den duivel te biegt gaan, se confesser au renard; dire ses secrets à un homme plus fin que soi, ou suspect, et intéressé, et qui en tirera en avantage; Wander IV, 1106: beim Teufel zur Beichte kommen, d.i. übel anlaufen; Eckart, 518: bi dem Düwel tor Bigt kommen; in het Friesch: hy komt by de divel to bycht.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

i̯ek- ‘sprechen’, auch von feierlicher, bittender Rede

Ai. yā́cati ‘fleht, fordert’, yācñā́ ‘Bitte’; yācitá-, yā́citum, yācitar-, usw.
lat. iocus ‘Scherzrede, Scherz’; umbr. iuka, iuku Akk. Pl. n. ‘preces’, osk. iúkleí ‘inconsecratione’;
ahd. jehan, gehan ‘sagen, sprechen, bekennen’, asächs. gehan ds., ahd. jiht (*jeχti-) ‘Aussage, Bekenntnis’, bijiht = nhd. ‘Beichte’, dazu Krankheitsname Gicht (‘durch Besprechen verursacht’);
mcymr. ieith, cymr. iaith, bret. iez ‘Sprache’ (*jekti-);
lit. juõkas, lett. juõks ‘Scherz’ ist vielleicht lat. Lw. aus der Studentensprache, wie auch nhd. Jux; dagegen Trautmann 108;
toch. А В yask- ‘verlangen, betteln’ (Van Windekens Lexique 165 f.), A yāṣṣuce, В yāṣṣūca ‘Bettler’.

WP. I 204 f., WH. I 715 f.; Sommer WuS. 7, 104 ff. will auch i̯ǝk- ‘heilen’ hierherstellen, aber wegen air. hīcc (idg. ē) nicht glaubhaft.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal