Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bezwijken - (niet meer bestand zijn tegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bezwijken ww. ‘niet meer bestand zijn tegen’
Onl. besuick (imperatief) ‘bedrieg’, besuikit (3e pers. ev.) ‘(hij) bedriegt’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. beswiken ‘in de steek laten’ [1265-70; CG II, Lut.K]; si besweec ‘zij viel flauw’ [1300-50; MNW-R]; vnnl. beswycken ‘opgeven, overwonnen worden’ [1619; WNT], beswyck (1e pers. ev.) ‘(ik) sterf’ [1682; WNT]; nnl. bezwijken ‘(iets) niet kunnen weerstaan’ [1784-85; WNT].
Afleiding met → be- van het Middelnederlandse werkwoord swiken, zwiken (onovergankelijk) ‘tekortschieten, bezwijken’ [ca. 1440; MNW].
Mnd. beswiken ‘bedriegen, in de steek laten’; ohd. biswīhhan ‘bedriegen, misleiden’; nfri. beswike, beswykje. Zonder voorvoegsel bovendien: os. swīkan ‘(ont)wijken, in de steek laten, bedriegen’; ohd. swīhhan ‘in de steek laten, nalaten’ (mhd. sweichen ‘ophouden’); ofri. swīka ‘in de steek laten, verraden’; oe. swīcan ‘zwerven, ontsnappen, in de steek laten, bedriegen’; on. svíkja, svīkva, svykva ‘bedriegen, verraden’ (nzw. svika ‘bedriegen, in de steek laten’); < pgm. *swīkan-, *swīkwian- ‘verdraaien, bedriegen; verminderen, ophouden’.
Terug te voeren op een wortel pie. *sueig- ‘verdraaien, uitwijken; bedrog’. Mogelijk verwante vormen als Litouws svaĩgti ‘duizelig worden’; Russisch svigat' ‘ronddrijven’ wijzen echter op de grondvorm pie. *sueigh- ‘wijken, ophouden, ontwijken; bedrog’ (IEW 1042). Misschien is hier sprake van een s-formans bij → wijken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bezwijken* [niet meer bestand zijn tegen, sterven] {oudnederlands beswican 901-1000, middelnederlands beswiken [in de steek laten, afvallig worden, onovergankelijk in onmacht vallen]} oudhoogduits biswīhhan [bedriegen, verleiden], van be- + swiken [tekortschieten, bezwijken], oudsaksisch swikan [wijken], oudhoogduits swīhhan, oudnoors svíkja [bedriegen], oudfries swika [in de steek laten]; buiten het germ. russisch svigat' [zich haasten], litouws svaigti [duizelig worden]; het woord komt niet voor buiten germ. en balto-slavisch.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bezwijken [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: over de te reconstrueren germ. grondvorm, zie E. Polomé, RBPhH 44, 109-110 [1966].

bezwijken ww., mnl. beswîken ‘in de steek laten, begeven, flauw vallen’, onfrank. beswīcan ‘bedriegen, verleiden’, ohd. biswīhhan ‘bedriegen, verleiden, vangen’, is een samenstelling van mnl. swîken ‘wijken, nalaten, dalen’, os. swīkan ‘wijken, in de steek laten’, ohd. swīhhan ‘in de steek laten, nalaten’, ofri. swīka ‘in de steek laten’, oe. swican ‘in de steek laten, bedriegen, ontkomen’, on. svikja, svikva, sȳkva ‘bedriegen’. — lit. svaigstù, svaigti ‘duizelig maken’, russ. svigať ‘slingeren’ (IEW 1042). De germ. grondvorm is dus *swīkwian. Opmerkelijk dat deze wt. alleen in het germ. en balto-slavisch voorkomt; mag men misschien denken aan een substraatwoord?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bezwijken ww., mnl. besvîken “in den steek laten, begeven, ontzinken, flauw vallen”, een samenst. van swîken “wijken, nalaten, dalen”. = onfr. beswîcan “bedriegen, verleiden”, ohd. swîhhan “in den steek laten, nalaten”, biswîhhan “bedriegen, verleiden, vangen” (swîhhôn “zwerven”), os. swîkan “wijken, in den steek laten”, biswîkan “bedriegen, verleiden”, ofri. swîka “in den steek laten”, ags. swîcan “verlaten, in den steek laten, bedriegen, ontkomen, zwerven”, beswîcan “lokken, verraden, door list in zijn macht krijgen, verleiden, in den steek laten”, on. svîkja, svîkva, sŷkva “bedriegen”. Hierbij met ablaut ags. swic o. “bedrog”, on. svik o. “verraad, bedrog, gif”; verdere afll. zoowel met î als ĭ. Hoogst onzeker is de combinatie met got. swikns, on. sykn “onschuldig”. Buiten het Germ. vgl. lit. svaigstù, svaĩgti “duizelig worden”. De woordfamilie van wijken is bezwaarlijk verwant; mogelijk is de afl. van idg. swī̆g- van de kortere basis swī̆- “draaien, slingeren”: zie bij zwier.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bezwijken. Ofri. naast swîka ‘in de steek laten’ ook biswîka ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bezwijken ono.w., Mnl. beswiken, Os. biswîkan = (verleiden), gevormd met Mnl. swiken, Os. swîkan (= wijken) + Ohd. swîhhan = nalaten (Mhd. swîchen = id.), Ags. swícan = wijken, Ofri. swíka, On. svíkja = bedriegen. Verwant met wijken.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bezwijken van zwijken, in ’t Os. swikan = wijken (z. d. w.), vallen. Verwant zijn Zwichten en Zwikken. Vgl. ’t Mnl.: Mijn vrienden sullen mi beswiken = van mij wijken, mij verlaten.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
bezwijken. - Het ww. bezwijken wordt geconstrueerd: 1o met onder: onder de smart, onder de ellende bezwijken; 2o met voor, b.v. voor de verzoeking bezwijken. Maar bij Zuidnederlandsche schrijvers vindt men soms bezwijken aan iets. Dit is eene navolging van fr. succomber à -; zie ook de aanhalingen. || Zonder dit voedsel zou een groot getal arme menschen aan honger bezweken zijn, G. BERGMANN, Gedenkschr. 82 (het gebruik van bezwijken zelf is hier eenigszins ongewoon, daar het, in den zin van sterven gewoonlijk absoluut staat; op zijn minst dient aan honger vervangen te worden door ten gevolge van den honger). Toen hij voelde … dat hij aan de bekoring zou bezwijken, BUYSSE in De Gids 1895, II, 7.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bezwijken ‘niet kunnen weerstaan; sterven’ -> Fries beswike ‘niet kunnen weerstaan; sterven’; Deens besvige ‘bedriegen, ontrouw zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors besvike ‘niet kunnen weerstaan’; Zweeds † besvika ‘niet kunnen weerstaan’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bezwijken* sterven 1682 [WNT]

bezwijken* niet kunnen weerstaan 1784-1785 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

su̯ē̆(i)- ‘biegen, drehen, schwingen’, (s. auch seu- und su̯eng- ‘biegen’), su̯i-lo-, su̯i-mo- ‘Drehung’

Gr. σῑμός ‘aufwärts gebogen, stumpfnasig, spöttisch’ (dazu σικχός ‘ekel, alles tadelnd’?); vielleicht auch σῑρός ‘Grube’ (*Einbiegung?);
cymr. chwid ‘lebhafte Wendung, Kunstgriff’, chwidl ‘sich im Kreise drehend, schwindlig’, chwidr ‘schnell, flüchtig, übereilt’; chwim m. (*su̯ī-smo-) ‘Bewegung, Antrieb’, Adj. ‘schnell’, chwyf m. ‘Bewegung’ (*su̯ĭ-mo-, vgl. unten germ. swī̆m-), chwyfio ‘movere’, bret. fiñval, gwiñval ‘sich bewegen, rühren’;
cymr. chwyn ‘Bewegung’, chwil (*su̯ī-lo-) ‘sich schnell drehend’; chwyl und chwel (*su̯ĭ-lo-, -lā vgl. norw. svil) ‘Wendung, Lauf’, corn. wheyl ‘Arbeit’, air. sel ‘Wendung, Drehung, Zeitraum’, mir. des-sel ‘Wendung nach rechts’, tuath-bil ‘Wendung nach links’;
mnd. swāien, sweimen ‘sich schwingen’; als Partiz. aisl. svað n. ‘das Gleiten’, (*su̯ǝ-to-), svaða ‘gleiten’, ags. swaðian ‘(ein)wickeln’, engl. swath(e), mnd. mhd. swade ‘Reihe von gemähtem Gras, Schwaden’;
norw. svīma ‘schwanken, taumeln’, mhd. swīmen ds.; ags. swīma m. ‘Schwindel, Ohnmacht’, aisl. svīmi, ndl. zwijm ds.; mhd. swīmel, swimmel ‘Schwindel’; aisl. sveimr m., sveim n. ‘Getümmel, Tumult’, sveima ‘umherziehen’, mhd. sweim m. ‘das Schweben, Schweifen, Schwingen’, sweimen ‘sichschwingen, schwanken’; norw. svil n. ‘Spirale; der krause Samenbeutel dorschartiger Fische’; nd. swīr ‘Schwung, Drehung, Bummeln’, swīren ‘sich schwingend bewegen, umherfliegen, in Saus und Braus leben’.
su̯eib-: av. xšvaēwayat̰-aštra- ‘die Peitsche schwingend’, xšviwra- ‘flink’; got. midja-sweipains ‘Sintflut’ (eig. ‘Fegung der Mitte’); aisl. sveipa ‘werfen, umhüllen’, ags. swāpan ‘schwingen, fegen, treiben’, as. swēp ‘fegte fort’, ahd. sweifan ‘schwingen, schweifen, streiten’, sweif ‘Umschwung, Schwanz’ = aisl. sveipr ‘Band, Schlingung, gekräuseltes Haar’, aisl. svipa ‘Peitsche’.
su̯eid-: in lit. svíesti, lett. sviêst ‘werfen’, Frequentativ lit. sváidyti, lett. svaĩdît ‘wiederholt schleudern’; ob lett. svaĩdît ‘salben, schmieren’ (unten unter su̯ēid-) hierher?
su̯eig-: germ. auch ‘nachgeben, nachlassen’ (von su̯ī- ‘schwinden’ ausgegangen) ‘(listig) etwas drehen, ausweichen, Trug’ u. dgl.: ahd. swīhhōn, ags. swīcian ‘schweifen, wandern, betrügen’, aisl. svīkva sȳkva (u̯-Präs.), svīkja ‘betrügen, verraten’, ags. swīcan ‘verlassen, betrügen’, poet. ‘fortgehen, wandern’, as. swīan ds. ‘ermatten’; ahd. swīhhan ‘ermatten, nachlassen, verlassen’, mhd. swīch m. ‘Zeitlauf’, ā-swīch ‘heimlicher Fortgang’, sweichen ‘ermatten’; aisl. svik n. ‘Verrat, Betrug’, ags. swic n. ds., ahd. biswih m. ds.;
lit. svaĩgti ‘Schwindel bekommen’, svaiginė́ti ‘schwindelig umherwanken’, russ. svigát’ ‘herumtreiben’;
toch. A wāweku ‘gelogen’, В waike ‘Lüge’.
su̯eik-: aisl. sveigr ‘biegsam’, m. ‘biegsamer Stengel’, schwed. dial. svīga, svēg ‘sichbiegen’, Kaus. aisl. sveigja ‘biegen’, Pass. svigna ‘sich beugen, nachgeben’, svigi m. ‘biegsamer Stengel’; ahd. sweiga ‘Viehstall’ (*Geflecht).
su̯eip-: aisl. svīfa ‘schwingen, drehen, umherschweifen, schweben’, ags. swīfan ‘drehen, fegen, wenden (engl. swift ‘schnell’), schwenken’, aisl. sueifla ‘schwingen’, mhd. swibeln, swivelen ‘taumeln’, ahd. sweibōn ‘schweben, schwingen’, swebēn ‘schweben’.
lett. svàipīt ‘peitschen’, svipst(ik̨)s ‘Hasenfuß, Zierbengel’.

WP. II 518 ff., Vasmer 2, 591 f., Johannesson 794 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal