Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bezoedelen - (bevlekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bezoedelen ww. ‘bevlekken’
Vnnl. besuddelen ‘besmeuren’ [1556; Dasypodius], soetelen ‘bezoedelen’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Duits besudeln, sudeln ‘bevuilen’, afgeleid met en zonder → be- van het 15e-eeuwse zn. sudel ‘modder, poel, viezigheid’.
Sudel is een vorm met -l-achtervoegsel die, naast mnd. sudde ‘moeras, drassige weide’; mhd. sut(t)e ‘vuile plas, poel’; oe. (ge)syd ‘modderpoel’, besūtian ‘bevuilen’, mogelijk een dentaal-afleiding pie. *seu-d- van de wortel *seu ‘laten druppen, regenen; uitpersen; slurpen, zuigen’ (IEW 912). Bij deze wortel horen de Germaanse vormen mnl. soelen ‘bevuilen’ [1477; Teuth.]; mnd. solen ‘bezoedelen, vuil werk verrichten’; ohd. bisullen ‘bezoedelen’ (nhd. suhlen, sühlen ‘ploeteren, morsen’); oe. (be)sylian; got. bi-sauljan ‘bevlekken’.
Andere afleidingen met dezelfde wortel zijn misschien → zuigen, → zuipen, → zuivel. Verdam wijst op de mogelijkheid dat het werkwoord → zeulen ‘zwaar werk verrichten’ tot deze woordgroep behoort, op grond van het vergelijkbare werkwoord mnd. solen, sölen, dat zowel ‘bezoedelen’ als ‘vuil werk verrichten’ kan betekenen.
Minder zeker is verwantschap met Grieks húei ‘het regent’, húlē ‘modder’; Albanees shi ‘regen’; Tochaars B swese ‘regen’.
Lit.: J. Verdam (1894) ‘Dietsche Verscheidenheden’, in: TNTL 13, 161-170

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bezoedelen [bevlekken] {1562} < middelhoogduits (be)sudeln, vgl. oudengels besutian [bevuilen], verwant met zieden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bezoedelen ww., eerst bij Kiliaen besoetelen < laat-mhd. (be)sudeln ‘bevuilen’, dat niet met zieden samenhangt, maar van een wt. *seud naast *seut komt, waarvoor verg. oe. gesyd ‘plas, poel’ en besutian ‘bevuilen’ Naast *seud staat ook *seuþ dat in mhd. besudeln aan te nemen is. De idg. wt. *seud is een dentaal - afl. van *seu, vgl. gr. húei, alb. shi, toch. B. swese ‘regen’ (IEW 912).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bezoedelen ww., sedert Kil.: besoetelen. Deze vorm komt oudnnl. veel voor. Uit het Duitsch; vgl. laat.-mhd besudeln, sudeln “bevuilen”. Dit wordt bij zieden gebracht. Vgl. zoetelaar.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bezoedelen o.w., gevormd van *zoedelen + Ndd. suddeln, Hgd. sudeln (waaruit ook Fr. souiller) = morsen, letterlijk onbehendig koken, frequent. van zieden (z.d.w. en zoetelaar).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

besoedel ww.
1. Bevuil of bemors. 2. Onteer.
Uit Ndl. bezoedelen (1556 in bet. 1, 1557 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. bezoedelen uit Middelhoogduits besudeln wat verwant is aan Oudengels besutian 'bevuil'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bezoedelen (Duits besudeln)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bezoedelen, van zoedelen en dit een frequ. (in ongunstige bet.) van zieden (z. d. w.), dus: slecht koken, laten overkoken, morsen, vuil maken; vgl. de Statenbijbel: zijne voeten besoetelen; en bij Huygens: „spiegels, die de damp van eigen waen besoetelt.” Zie ook Zoetelaar.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bezoedelen bevlekken 1562 [Toll.] <Duits

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

seu-1, seǝ- : sū- ‘Saft, Feuchtes’; verbal: ‘Saft ausdrücken’ und ‘regnen; rinnen’, in Weiterbildungen ‘(Saft) schlürfen, saugen’, su-lā- ‘Saft’

1. Gr. ὕει ‘es regnet’, ὕω ‘lasse regnen’ (*sū-i̯ō), ὑετός ‘starker Regen’ (*suu̯-etos, wie νῐφετός); alb. shi ‘Regen’ (*sū-); toch. В swese ‘Regen’, sū-, swās- ‘regnen’; zu ὕει vielleicht ὕθλος (ὕσθλος, ὕσλος Gramm.) m. ‘leeres Geschwätz’ (gleichsam ‘eintönig tröpfelnd’);
2. Ai. sunṓti ‘preßt aus, keltert’ = av. hunaoiti ds.; ai. sávana-m, savá- m. ‘Kelterung des Soma’, sutá- ‘gekeltert’, sṓma- = av. hauma- m. ‘Soma’; ahd. sou, ags. séaw ‘Saft’, isl. söggr ‘feucht’ (*sawwia-); air. suth ‘Saft, Milch’ (*sŭ-tu-s); hierher wohl auch die FlN gall. Save, Savara, -ia und (illyr.) Savus (*Sou̯os).
3. seu-d- in ags. be-sūtian ‘beschmutzen’, westfäl. sot ‘Dreck’; aisl. sut ‘Sorge’, sȳta ‘trauern’.
4. Gutturalerw.: seuk-, sū̆k- und seug-, sū̆g-:
Lat. sūgō, -ere ‘saugen’; lat. sūcus ‘Saft’, cymr. sugno, mbret. sunaff, nbret. suna ds., sun ‘Saft’, cymr. sugnedydd ‘Pumpe’ (*seuk-n-; cymr. g aus dem lat. Lw. sug ‘Saft’), acymr. dissuncgnetic ‘exanclata’ (morphologisch schwierige Gruppe); ags. sūcan, ndl. zuiken ‘saugen’; ags. socian (*sukōn) ‘einweichen, aufsaugen’, gesoc n. ‘das Saugen’, aisl. sūga (sjūga) ‘saugen’, sog n. ‘das Saugen’, ags. as. ahd. sūgan ‘saugen’, Kaus. norw. dial. søygja, mhd. söugen ‘säugen’, mhd. suc, soc, g. soges und souc, -ges ‘Saft’, ags. sogeða m. ‘Schluck’; lett. sùkt ‘saugen’; apr. suge f. ‘Regen’.
5. l-Formantien: gr. ὕλη ‘Kot, Schlamm’, ὑλίζω ‘filtere, kläre’; ai. sūra- m. ‘berauschender Trank’; súrā ‘Branntwein’, av. hurā ‘Kumys’ (wogul. sara, syrj. sur aus dem Iranischen) = lit. lett. sulà ‘abfließender Baumsaft’ (mit ū lett. sūlât ‘siepen’), apr. sulo ‘geronnene Milch’; ags. sol n. ‘Schlamm, Pfütze’, ahd. mnd. sol ds., ags. sylian ‘beschmutzen’, as. sulwian, ahd. sullen ds., nhd. sühlen, suhlen ‘sich im Kot wälzen’; got. bi-sauljan ‘beflecken’, norw. søyla ds.
6. seup-, seub-: ai. sū́pa- m. ‘Brühe, Suppe’; aisl. sūpa, ags. sūpan, ahd. sūfan ‘schlürfen, trinken, saufen’, sūf ‘Brühe, Suppe’, mhd. suf, sof ‘Suppe’, ags. sype m. ‘das Einsaugen’, aisl. sopi m., ags. sopa ‘Schluck’, vollstufig ahd. souf ‘Suppe’, aisl. saup n. ‘Buttermilch’; ags. sopp f. ‘eingetunkte Bissen’, mnd. (daraus mhd.) soppe, suppe’, ahd. sopha, soffa ‘Brühe, auch mit eingeweichten Schnitten; Bodensatz’; got. supōn ‘würzen’ = ahd. soffōn ds. (eig. ‘in Brühe eintunken’); mhd. sūft m., mnd. sucht ‘Seufzer’, ahd. sūft(e)ōn, mhd. siuften, siufzen ‘seufzen’; aisl. ags. sufl n. ‘Zukost’, as. suval, ahd. suvil(i), -a ‘sorbiuncula’; mnd. sūvel, ndl. zuivel ‘der Buttergehalt der Milch’;
aksl. sъs-ǫ, -ati, Iter. sysati ‘saugen’ wohl aus *sup-s-.

WP. II 468 f., WH. II 622 f., Trautmann 257, 291 f.

seu-4, seu-t- ‘sieden, heftig bewegt sein’

Av. hāvayąn ‘sie schmoren’, hāvayeiti ‘er schmort’ (3. Sg. Opt. huyārǝš - ai. *suyúr zu einem Präs. *haoiti nach der Wurzelklasse);
dazu germ. *sauþ- in aisl. sjóða ‘sieden, kochen’, ags. séoðan (engl. seethe) ds., ahd. siodan, mhd. nhd. sieden, aisl. seyð ‘brausendes Wasser’, seyðir ‘Kochfeuer’; got. sauþs ‘Opfertier’, aisl. sauðr ‘Schaf, auch anderes Kleinvieh’; aschwed. sauþn ‘Sprudelquelle’; germ. *suþa- in soð n. ‘Fleischsuppe, Brühe’;
lit. siaučiù siaũsti ‘(Getreide) worfeln, die Spreu vom Korn sondern; spielen; rasen, wüten’, siuntù, siùsti ‘toll werden’; daneben auch die Bedeutung ‘schlagen’ in žem. siũtis ‘Stoß’, lett. šàust ‘geißeln’; vgl. auch lit. saũbti ‘toben, rasen’, šaũbti ‘umhertoben’, alit. siaubti ‘Possen reißen’; lett. šaulis m. ‘Tor’;
russ. šučú, šutítь ‘spaßen, scherzen’, šut (Gen. šutá) m. ‘Spaßmacher, Possenreißer’, slov. šutec ‘Narr’.

WP. II 471 f., Trautmann 260.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal