Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bezitten - (in eigendom hebben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bezitten ww. ‘in eigendom hebben’
Onl. besete ‘jij bezat, had in eigendom’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. besitten ‘op iets zitten; in eigendom hebben’ [1240; Bern.].
Afleiding met → be- van het werkwoord → zitten.
Oorspr. betekende het ‘op een bepaalde plaats (gaan) zitten’ en ook ‘een plaats belegeren of innemen’, zie ook → bezetten. Het kwam ook voor als rechtsterm: een weduwe mocht de boedel bezitten, ofwel ‘op de boedel zitten’ = ‘bewonen’, als zij nog jonge kinderen had. Uit dit soort betekenissen heeft zich die van ‘in eigendom hebben’ ontwikkeld, die al in het Oudnederlands voorkomt.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bezitten ‘hebben’ (bet. van Latijn possidere)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

bezitten. - In het Fransch kan men zeggen: posséder une langue, posséder la musique, posséder son Virgile, enz. Het is een aanstootelijk gallicisme in dergelijke uitdrukkingen posséder letterlijk te vertalen. In zuiver Nederlandsch zegt men: grondig verstaan, volkomen kennen, goed bedreven zijn in -, machtig zijn. (t.w. eene taal). || Hij (bezit) de kunst den huichelaar te spelen, SLEECKX 16, 10. Wie de spraak als leer bezit, moet laten zien dat hij ze ook als kunst machtig is, eer hij iedereen de les mag spellen, WATTEZ in Het Belfort 1895, I, 92. Sleeckx en Van Beers, twee Vlamingen die … én de leer én de kunst bezaten, Ald. Vragen, waarbij een van buiten geleerd antwoord past, moesten … vermeden worden; want leerlingen, die de zaak zelfstandig goed bezitten, bekomen in dit geval minder punten, dan die, welke enkel woordelijk het antwoord kunnen aframmelen, VERHEYEN in De Toekomst 34, 231. Een thema maken in eene taal welke men nog niet bezit, moet noodlottig tot zulke onzinnigheden leiden, M. in De Toekomst 35, 200.

zich bezitten. - Het reflexief gebruik van bezitten is eene navolging van fr. se posséder; maar il ne se possédait plus luidt in ’t Nederlandsch niet: hij bezat zich zelven niet meer, maar hij was buiten zich zelven, hij kende zich zelven niet meer, hij was zich zelven niet langer meester enz., al naar het verband. || De knaap bezat zich zelven niet van vreugd, LOVELING, Sophie 369. Een soort van waanzin zette haar oogappels uit ... Maar hij vooral bezat zich zelven niet meer, BUYSSE, Mea Culpa 218.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bezitten ‘(in bezit) hebben’ -> Deens besidde ‘(in bezit) hebben’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors besitte ‘(in bezit) hebben’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds besitta ‘(in bezit) hebben’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bezitten* (in bezit) hebben 1240 [VMNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1703. Iemands oor hebben (of bezitten),

d.w.z. ‘zijn vertrouwen hebben en daardoor gemakkelijk eene welwilllende aandacht, gehoor bij hem vinden’; bij iemand in de gunst staan. Sedert de 17de eeuw bij ons bekend. Zie Ndl. Wdb. XI, 46 en vgl. Sewel, 591; Halma, 451; Harreb. II, 149; Handelsblad, 21 Juli 1915 (ochtendbl.), p. 3 k. 3: Zeker is het dat met hem een figuur uit den raad is verdwenen, iemand die onder alle omstandigheden het oor van den raad had; Te Winkel, Ontwikkelingsgang IV, bl. 336: Van alle door Bilderdijk genoemde dichters treedt Tollens wel het meest naar voren, omdat hij, nog meer dan anderen, het oor had van zijn volk; fr. avoir l'oreille de qqn; hd. jemand's Ohr haben, gewinnen; eng. to have, win, gain a p's ear. In de Middeleeuwen: in enes ore liggen of te enes ore gaen (zie Mnl. Wdb. V, 1960).

2648. Zijne ziel in lijdzaamheid bezitten,

d.i. gelaten iets dulden; niet toornig worden; ontleend aan Luc. XXI, vs. 19: Besittet uwe zielen in uwe lijdtsaemheyt. Vgl. mnl.: In uwer verduldicheit of gedoochsamheden soo selt ghi uwe sielen besitten (Ruusbr.); Groot-Nederland, 1914, bl. 393: Laten we onze zielen in lijdzaamheid tezamen bezitten en onze hoop en idealen met liefde en veerkracht hooghouden!; Het Volk, 15 Nov. 1915 p. 5 k. 4: In de Oranjekazerne in Den Haag was een Engelsch officier geïnterneerd, die z'n ziel in lijdzaamheid bezat en in het residentiestadje zoo goed mogelijk de ballingschap trachtte te dragen; Ndl. Wdb. VIII, 2235; fr. posséder son âme par la patience; hd. die Seele mit Geduld fassen; eng. to possess one's soul in patience.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal