Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bevreesd - (beducht)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bevreesd bnw., reeds mnl. Oorspr. deelw. bij mnl. bevrêsen “bang maken, bang zijn”. Vgl. beducht. Een mnl. reflexief ww. *hem bevrêsen schijnt niet voor te komen.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
bevreesd. - Bij bevreesd zijn wordt een oorzakelijk voorwerp met voor vereischt; in het Fransch zegt men echter avoir peur de -; naar het voorbeeld daarvan gebruiken Zuidnederlandsche schrijvers niet zelden bevreesd zijn van iets of iemand. || “Zijt gij niet bang dat Thor u treffe met eenen zijner steenen? Zeg, heer Finhard, zijt gij daarvan niet bevreesd?” - “De Reus is van niets bevreesd! Hoort gij, oude? Van niets”, MILLECAM, Finh. en Lieder. 2, 164.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal