Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bever - (knaagdier (Castor fiber))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bever zn. ‘knaagdier (Castor fiber)’
Onl. bevur- in de plaatsnaam Beuorhem wrsch. ‘Beverwijk (Noord-Holland)’ [918-48; Künzel 89]; mnl. bevers (genitief van toenaam) [ca. 1240; Debrabandere 1993], bever ‘knaagdier’ [1285; CG II, Rijmb.].
Os. biƀar, biƀor (mnd. biber, bever, nzw. bever); ohd. bibar, bibur (nhd. Biber); nfri. bever; oe. beofor (ne. beaver); on. bjórr (nzw. dial. bjur); < pgm. *bebru- ‘bever’.
Verwant met Latijn fiber; Gallisch *bebros (> Frans bièvre); Avestisch baßra-; Litouws bẽbras, bebrùs; Lets bebrs; Oudpruisisch bebrus; bij pie. *bhé-bhr, wrsch. een wortelnomen met reduplicatie (waaraan later in de Indo-Europese talen verschillende achtervoegsels zijn toegevoegd) < pie. *bher- ‘glanzend, lichtbruin’ (IEW 136). Vanwege het voorkomen van Sanskrit babhrú- ‘(rood)bruin’ en bábruka- ‘ichneumon, soort wezel’ kan de oorspr. betekenis van bever ‘de roodbruine’ zijn; zie voor een soortgelijke benaming → beer 1.
Lit.: Beekes 1990, 209-210

EWN: bever zn. 'knaagdier (Castor fiber)' (918-48*)
ANTEDATERING: Beueris (gelatiniseerde vorm) 'Beveren, Bièvre (plaats bij Dinant)' [770-79, kopie 1221-30; ONW]
{* Aan de datering van de eerste attestatie in het EWN moet worden toegevoegd: kopie eind 11e eeuw.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bever* [knaagdier] {in de plaatsnaam Beuorhem, nu Beverwijk (N.-H.) <918-948>, bever 1287} oudsaksisch biƀar, oudhoogduits bibar, oudengels beofor, oudnoors biōrr; buiten het germ. latijn fiber, litouws bebrus, lets bebrs, oudpruisisch bebrus, oudrussisch bebrŭ, oudindisch babhru- [bruin, een ichneumonsoort]; het dier is mogelijk naar zijn kleur genoemd. Vgl. voor de betekenis beer1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bever znw. m., mnl. bēver, os. biƀar, biƀor, ohd. bibar, bibur, oe. beofor (ne. beaver), on. bjórr. — Lat. fiber, osl. bebrŭ, bibrŭ, lit. bẽbras, bẽbrus, lett. bebrs, opr. bebrus, gall. *bebros (> fra. bièvre), oiers beabhar, korn. befer. — Blijkens oi. babhrú- ‘roodbruin’, maar ook naam van ‘grote ichneumon’ kunnen wij het woord als ‘de bruine’ verklaren (evenals beer 2). (IEW 136).

F. A. Wood, American Journal Philology 41, 1920, 352 wil het woord bij de groep van boren brengen en verklaart dan de naam als de ‘snijder, bouwer’, wat past voor de technische vaardigheid van het dier en althans een kenschetsender naam is dan ‘de bruine’. Geheel te verwerpen is deze verklaring niet.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bever znw., mnl. bēver m. “bever, bevervel”. = ohd. bibar, bibur (nhd. biber), os. biƀar, biƀor, ags. beofor (eng. beaver), on. bjôrr m. “bever”, germ. *ƀeƀru-. Vgl. korn. befer (gall. Bibracte, plaatsnaam), lat. fiber, russ. bob(ë)r, oudserv. *bȁbar, slov. bóbər, bébər, brébər (oerslav. *bobrŭ, *bebrŭ, *bibrŭ), lit. be͂brus, bebrùs (met dissimilatie serv. dȁbar, lit. dẽbras, dãbras), av. bawra-, bawri- “bever”. Blijkens oi. babhrú- “roodbruin”, als m. znw. “een soort ichneumon”, is de oorspr. bet. “de bruine” (vgl. beer II). Idg. *bhe-bhru-, *bhi-bhru- (-o-, -i-) is een reduplicatieformatie van *bh(e)r-(ŭ); zie bruin.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bever. Het is niet gewenst de verklaring van de idg. bevernaam als ‘de bruine’ op te geven voor de etymologie van F. A. Wood AJPh. 41, 352, die het woord met de bij boren en baron besproken woordfamilie in verband wil brengen. De bever zou dan ‘de snijder, houwer, vormer, bouwer’ genoemd zijn.
Wood a.p. 353 scheidt lit. (dial.) dābras van beveren houdt het lit. woord voor identisch met lat. faber ‘handwerksman’. Niet waarschijnlijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bever 1 m. (dier, stof, hoed), Mnl. id., Os. biƀor + Ohd. bibar (Mhd. en Nhd. biber), Ags. beofor (Eng. beaver), On. bjórr (Zw. bäfver, De. bœver) + Skr. babhrus ( = roodbruin, ichneumon), Lat. fiber, We.. befer, Oslav. bebru (Ru. , Boh. en Po. bobr), Lit. be͂brus, Lett. bebrs: is een reduplicatie van den wortel van bruin (z.d.w.). Uit het Ndd. komt Fra. bièvre, It. bevaro. Bever, rivier- en plaatsnaam, is niet de naam van het dier, doch behoort bij denz. wortel met de bet. bruin water.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bever: (jeugdtaal) achterlijk persoon. Sedert eind jaren tachtig.

‘Wat een bever hè,’ zegt een van de aldus aangesprokenen over hem. Iedereen begint te lachen (‘bever’ betekent ‘debiele kerel’) en de toffe volwassene begint zich onprettig te voelen. (Jan Kuitenbrouwer, Turbotaal. Van Socio-babble tot yuppie-speak, 1987)

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Bevers ̶ Castoridae
De beverfamilie wordt gevormd door twee vrijwel identieke soorten: de Noord-Amerikaanse of Canadese bever (Castor canadensis) en de Europese of Aziatische bever (C. fiber).

Bever ̶ Castor fiber (Linnaeus, 1758)
Duits: Biber; Engels: Beaver; Frans: Castor; Fries Bever
De bever is het grootste knaagdier van Europa. De soort werd vroeger bejaagd vanwege zijn pels, vlees en bevergeil, een sterkriekende, olieachtige geurstof dat als medicijn, o.a. als middel tegen krampen, werd gebruikt. In 1826 werd de laatste bever in ons land gedood.
Ondanks de vervuilingsgraad van het water, de druk van recreatie en de vrees voor schade als gevolg van graven, werd in de jaren tachtig tot herintroductie van de bever in de Biesbosch overgegaan.
De bevervacht is glanzend donkerbruin, de buikzijde iets lichter dan de rug. De poten zijn voorzien van zwemvliezen. De brede, horizontaal sterk afgeplatte staart is met schubben bedekt.
Het nest wordt gemaakt in ondergrondse holen in hoge oevers. De ingang bevindt zich onder water, het nest ongeveer 20 cm boven het wateroppervlak.
De soort is er om bekend in beken met een variërende waterstand houten dammen op te werpen. Bomen tot een dikte van 60 cm worden op de voor bevers kenmerkende wijze doorgeknaagd.
De bever is een uitgesproken planteneter. Zijn voedsel bestaat voornamelijk uit de bast van allerlei bomen.
De (gewone) bever is vermoedelijk naar zijn (bruine) kleur genoemd, aldus naar zijn oeroude woordbetekenis. Van deze soort zijn geen volksnamen bekend. De naam kastoor, eigenlijk een benaming voor het beverhaar, wordt slechts zelden voor de bever gebruikt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bever ‘knaagdier’ -> Deens bæver ‘knaagdier’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bever ‘knaagdier’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bäver ‘knaagdier’ (uit Nederlands of Nederduits); Litouws bebras ‘knaagdier’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bever* knaagdier 0918-948 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1168. Hij is van Kleef,

d.w.z. hij is gierig, met eene zinspeling op het wkw. kleven; eig. wil men dus zeggen: het geld kleeft hem aan zijne vingers, hij laat niet gauw los, hij is deun (mnl. done, stijf, vast). In de 16de eeuw bij Sartorius II, 4, 65: Vogelgrijps. Sy zijn van Cleven, om te hebben en niet om te geven. Zie ook Antw. Idiot. 455: hij komt van Kleef, hij is meer veur den heb als veur de(n) geef (vgl. Wander II, 1393; Eckart, 270); altijd voor de (h)eb, nooit voor den vloed (Joos, 101; Draaijer, 20); syn. van hij is van Houthem. Vgl. verder te Niemens vreent bleef de grave (Stoke IV, 1293), hij had geen vrienden; te Mollengijs gaan wandelen (16de eeuw), stervenM.W. Immink, De Spiegel der Minnen door Colijn van Rijssele, bl. 237.; siet dat ghy niet te Cloppenborch komt (geslagen wordt; Sart. II, 2, 16); zijn brieven in lijfland bestellen (een borrel drinkenNdl. Wdb. III, 1331.); 17de eeuw: hij gaat naar Kuilenburg voor: hij is dood, waarvoor ook gezegd wordt hij is naar Rotterdam; iemand op liefkenhoek zoeken (Esopet, Cren. Vreugdevuur, 3); bij Smetius, 239: naar Worms varen; van een dier dat verdronken of begraven wordt zegt men hij gaat naar Kolkman of Grondman (Harreb. I, LXVIII); vgl. verder hij komt van Grootebroek = hij is een snoever; ook hij praat van Grootebroek maar Lutjebroek komt eerst (De Vries, 73); hij komt van Helmond = hij maakt groot spektakel (in Limburg); zij zijn van Hardenberg, slechte betalers Draaijer. 16); hij is van Harderwijk, hij heeft geen geld; (N. Taalg. XIII, 137, 2): hij is van TuilUtrechtsche Bijdragen I, 102.; het is daer in Scherperije of Hongarije, het is daar armoede troef (Sart. I, 10, 39); iemand naar Hongarije zenden, honger laten lijden (Bank. no. 412); het zijn heeren van Kortrijk, van korten duur; Duren is een schoone stad doch Kortrijk ligt er digte bij (C. Wildsch. III, 59); het zijn heeren van Nergenshuizen in Geenland, d.w.z. schraalhanzen (Ndl. Wdb. IX, 1844); hij is van Bazerabel gekomen, hij bazelt (Harreb. I, 32 b); de bestekamer werd vroeger het kasteel van Poortegaal genoemd; hij die gekweld werd door de kei, niet goed bij het hoofd was, woonde op Keyenburg, in Keiendaal of op de Keybergsche driesch; een vagebond was heer van Bijsterveld, en van een man, die al zijn geld had zoek gebracht, om een rijke, leelijke vrouw te krijgen werd gezegd, dat hij Schoonhoven gemist en te Leelickendam geraakt was (vgl. De Brune, 461: Het is me-vrouw van leelickdam). Was men bot van verstand, dan heette men te komen van Plompardije en niet van Scherpenisse, terwijl een ijzegrim uit Grimbergen kwam (Sart. III, 4, 51). Iemand die draalt is van Drouwen (Molema, 87) en iemand die weet wat er in de wereld te koop is is om Leermens toukomen Molema, 239). Ging het ergens schraaltjes langs, was het er niet breed, dan was men daar op Sparendam, en babbelde een vrouw wat al te veel, dan kwam ze van Snapland, Klappenburg of Roermond (Sart. II, 3, 32; Tuinman I, 202 en De Cock2, 45) of ze kwam van Snapland en ging naar Klappenburg (Harrebomée I, 411); van een royaal huisgezin zegt men wel 't is daar Vollenhove. Laat men het paard rusten en eten in 't gras langs den weg dan steekt men op in de groene herberg (De Vries, 73). Een predikant gaat over Heidelberg naar Maagdenburg, d.i. heeft hij zijne II preeken over den Heidelbergschen Catechismus gehouden, dan gaat hij trouwen (Harreb. II, xxx); in Amsterdam: Hij gaat naar juffrouw Wijdmond, hij gaat zich verdrinken. In Zuid-Nederland kent men eveneens verschillende zegswijzen. Die gierig is komt uit Kniephuizen (zie Noord en Zuid III, 376) of uit het land van Vrekhem, van Kleven, van Audenaarde, van Scherpenheuvel of van Bever en is liever houder als gever; een zot komt van Sotteghem of Malleghem (vgl. Bank, I, 84) en een rijke erfoom wordt te Blijdegem of ook te Blijdenberg begraven (Teirl. 183); 'nen heer Van Magerhall is een arme drommel, die zich voornaam wil voordoen (Antw. Idiot. 788); zij die bedelen, komen van Halen; als iets mislukt, is 't van Miskom en een leugen is te Waregem gebeurd en te Leugegem verteld (Joos, 93), en iemand die te kort komt, komt te Kortenaken uit (Rutten, 121 b). Van een meisje dat te vergeefs op een aanbidder wacht, zegt men dat haar vrijer of haar vent te Wachtebeke woont (De Cock2. 141). Vgl. ook Overmorgen, morgen is 't montenaken-kermis (woordspel met mond; Montenaken is een gemeente van Limburg), morgen vasten we niet (Claes, 151); van Zwijndrecht komen, zwijmeren, dronken zijn (Waasch Idiot. 773); op 't schip zitten van Sinter-uit, verplicht zijn zijn huis te verlaten (Waasch Idiot. 826); Terneuzen als spotnaam voor iemand met een grooten neus (Antw. Idiot. 2269); Antw. Idiot. 1913: hij komt van Ommelegom, hij weet van alles; enz. Zie Taalgids VIII, 42; Taal en Letteren II, 164 vlgg.; Harreb. II, xxx; Noord en Zuid II, 217; Volkskunde IX, 206; Schuermans, 22 en Bijv. 110; Rutten, 145; Joos, 86 en De Bo, 149. In het Friesch zijn bekend hy is fen Kleef of hy is net fen Jousenbûrren, hij is gierig, geeft niet graag; hy is to Utkerken komen, hij heeft zijn kapitaal verspeeldDit herinnert aan Tijl Uilenspiegel, alwaar ook de uitdr. tuyterkerken comen voorkomt; zie den oudsten druk, anno 1512, bl. 42; en vgl Everaert, 294, vs. 369-375; Campen, 83; Tijdschrift XXI, 110; Mnl. Wdb. VIII, 949; Kaetsp. CVIII.; it giet by Spannum om, het spant er; it is skerpen-heuvel, het komt er krap om; hy is ta breas-ein, armNdl. Wdb. III, 1573.; hy is fen Knyphuzen (zie ook Molema, 210 a), hij is een knijperd, gierigaard; hy is oan 'e poarte fen Utert ta, hij is nagenoeg arm; ik moat efkes nei Makkum (naar 't geheim gemak). Voor het hd. vergelijke men Borchardt no. 736; Wander IV, 1039; Germania VII, 239 vlgg.; Seiler, 160 vlgg.; 440; Nyrop, 10; 210. In het eng. zegt men he has been at Hammersmith, hij heeft een flink pak slaag gehad (Barentz, 140; Prick, 58, die ook nog enkele synoniemen vermeldt).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bher-5 ‘glänzend, hellbraun’, Erweiterungen unseres bher- scheinen bhereg̑-, bherek̑- ‘glänzen’., bhē̆ro-s, bheru-s, vielfach von braunen Tieren; redupl. bhe-bhru-s, bhe-bhro-s ‘braun; Biber’; no-Bildungen: bhre-no-, bhro-no- und (*bheru-s:) bhrou-no-, bhrū-no- ‘braun’

Ai. bhalla-ḥ, bhallaka-ḥ bhallū̆ka-ḥ ‘Bär’ (-ll- aus -rl-); ahd. bero, ags. bera ‘Bär’ (*bheron-), aisl. biǫrn ds. (*bhernu-, dessen u wie das ū̆ von ai. bhallū̆ka-ḥ aus dem St. *bheru- stammen mag) = ags. beorn ‘Krieger, Häuptling’; aisl. bersi ‘Bär’ (s wie in Fuchs: got. fauhō, Luchs: schwed. lo); ablaut. lit. bė́ras, lett. bę̃rs ‘braun (von Pferden)’;
gr. φάρη· νεφέλαι Hes.? (*φαρε[σ]a oder *φάρεα? Letzternfalls genau zu:) φαρύνει· λαμπρύνει Hes., φρύ̄νη, φρῦνος ‘Kröte, Frosch’ (* ‘die braune’ = ahd. brūn); ob φάρη als ‘Wolkendecke’ zu 7. bher-?
nep. bhuro ‘braun’ (*bhrūro-); ahd. mhd. brūn ‘glänzend, braun’, ags. brūn, aisl. brūnn ds.; russ. mdartl. bryně́tъ ‘weiß, grau schimmern’, ablautend bruně́tъ ds. (*bhrou-no-?) und (aus *bhr-ono-, -eno-) russ.-ksl. bronъ ‘weiß; bunt (von Pferden)’, russ. bronь (und mdartl. brynь), klr. breńíty ‘falb werden, reifen’, aksl. brьnije (brenije) ‘Kot’, slov. bȓn ‘Flußschlamm’;
ai. babhrú-ḥ ‘rotbraun; große Ichneumonart’, av. bawra-, bawri- ‘Biber’; lat. fiber, fibrī ‘Biber’ (auch feber s. WH. I 491; wohl i geneuert für e, wie auch) kelt. (nur in Namen): *bibros, *bibrus in gall. ON und FlN Bibracte, abrit. VN Bibroci, mir. VN Bibraige (*bibru-rīgion), PN Bibar (*Bibrus) neben *bebros in gall. FlN *Bebrā, frz. Bièvre; Bebronnā, frz. Beuvronne, Brevenne usw.; ahd. bibar, ags. beofor (ältest bebr), mnd. bever, aisl. biōrr ds. (urg. *ƀeƀru-); vgl.auch nhd. FlN Bever, alt Biverna;
lit. bẽbras, bãbras, bẽbrus ds. (dissimil. debrùs u. dgl.), apr. bebrus ds.; über lit. bruĩšis usw. ‘leuciscus rutilus’, apr. brun-se ds. s. Specht Dekl. 120;
slav. *bebrъ in poln. FlN Biebrza, russ. usw. bobr (zur o-Red. s. Berneker 47; daneben vielleicht*bъbrъ in skr. dȁbar ‘Biber’ und aruss. bebrjanъ ‘aus Biberpelz’). Vgl. noch lat. fibrīnus ‘vom Biber’, volsk. Fibrēnus Bachname, av. bawraini- ‘vom Biber’; ahd. bibarīn, gall. bebrinus (Schol. Iuv.), lit. bẽbrinis ds.;
toch. B perne, A parno ‘leuchtend’, davon B perne, A paräṃ ‘Würde’.

WP. II 166 f., WH. I 490 f., Van Windekens Lexique 93.Vgl. ferner bhel-1 mit ähnlicher Bedeutung.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal