Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bevallen - (behagen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bevallen 1 ww. ‘baren’
Mnl. bevallen ‘vallen, bezwijken, tekortschieten’ [begin 15e eeuw; MNW], bevel (pret.) ‘werd bedlegerig’ [1445; MNW], bevallen ‘(neer)vallen’ [ca. 1470; MNW]; vnnl. bevallen ‘in bed gaan liggen, bedlegerig zijn’ [1530; MNW], ‘een kind baren’ [1616; WNT].
Afleiding met → be- van het werkwoord → vallen.
Mnd. bevallen ‘vallen, overvallen, bevallen, ten deel vallen’; mhd. bevallen ‘vallen, overvallen, bevallen’; nfri. befalle.
Uitdrukkingen als bevallen ende van enen kinde genesen (MNW) betekenden oorspr. ‘in bed gaan liggen en van een kind verlost worden’, waarna door betekenisconcentratie bevallen ‘een kind baren’ ging betekenen. Vanaf de 17e eeuw raakten alle andere betekenissen verouderd (WNT).
In het Middelnederlands was bevallen ook een rechtsterm met de betekenis ‘tekort schieten in zijn bewijs, in het ongelijk gesteld worden’ (leenvertaling van middeleeuws Latijn causas cadere), bevallen in ‘schuldig bevonden worden’, bevallet (3e pers. ev.) [1284; CG I, 764]; zie ook → bevallen 2, → vallen.
bevalling zn. ‘het baren’. Nnl. bevalling ‘id.’ [1785; WNT]. Afleiding met → -ing.

bevallen 2 ww. ‘behagen’
Mnl. bevallen ‘behagen’ [1265-70; CG II, Lut.K], meestal in combinatie met wale ‘wel, goed’; vnnl. bevallen ‘behagen, aanstaan’ [1612; WNT].
Afleiding met → be- van het werkwoord → vallen.
Mnd. bevallen ‘bevallen, behagen’, vaak in combinaties als wol bevallen ‘goed bevallen’; ohd. gifallan ‘bevallen, behagen’ [ca. 800] (mhd. gevallen met wol of wel; nhd. gefallen); ofri. bifalla ‘treffen, overkomen’ (nfri. befalle).
De betekenis ‘behagen, aangenaam zijn, bevallen’ zal, net als in het Oudhoogduits, ontstaan zijn uit de uitdrukking bij het dobbelen het bevallet mi wale (mhd. es gevellet mir wol) ‘het lot valt gunstig voor mij; er valt mij iets positiefs ten deel’ (Pfeifer), een betekenis die goed aansluit bij de andere betekenis van bevallen in het Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands: bevallen ‘toevallig gebeuren; toevallig overkomen’ [1284; CG I, 764]; vnnl. bevallen ‘(toevallig) gebeuren’ [1666; WNT]. Zie ook → bevallen 1.
bevallig bn. ‘gracieus’. Vnnl. in het zn. beuallicheyt ‘gratie, charme’ [1568; WNT uitzeggen], bevallich ‘gracieus’ [1612; WNT vriendhoud]. Gevormd uit bevallen met het achtervoegsel → -ig. Eerder bestond al een afleiding met het achtervoegsel → -lijk, bevallijk [tot de 18e eeuw; WNT], mnl. bevellike [eind 14e eeuw; MNW], bevallijc. Ook mnd. gevellec, gevellic; ohd. gifellīg (nhd. gefällig); nfri. befallich naast oanfallich.

EWN: ♦ bevalling zn. 'het baren' (1785)
ANTEDATERING: vnnl. bevallingen [1686; Burnet 1, 622]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

EWN: ♦ bevallig bn. 'gracieus' (1568)
ANTEDATERING: mnl. Dasse Gode bevellike was dor hare kuscheit 'dat ze God welgevallig was door haar kuisheid' [1290-1300; iMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bevallen* [baren, behagen] {1265-1270 in de betekenis ‘zo vallen dat men niet kan opstaan, bedlegerig worden, te beurt vallen’; de betekenis ‘behagen’ 1612} uit de betekenis ‘te beurt vallen’ moet in positieve zin de betekenis ‘aanstaan’ zijn voortgekomen, vgl. bevallig; van be- + vallen. De uitdrukking van een kind bevallen is een verkorting van middelnederlands bevallen ende van enen kinde genesen [te bed gaan liggen en van een kind verlost worden].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bevallen

Bevallen in de betekenis: een kind baren is hetzelfde werkwoord als bevallen in de betekenis: behagen. Wij moeten uitgaan van bevallen: op iets neervallen. Jan Luyken schrijft over een vlinder die van boven een bloem bevalt, dus: er op neerdaalt. Ook voor het invallen van de duisternis werd bevallen gebruikt. Dan zegt men het ook voor: op het bed neervallen, bedlegerig worden. In het bijzonder gebruikt men het van zwangere vrouwen die zich op een bed neerleggen om verlost te worden van een kind. Meer algemeen ging bevallen betekenen: ergens terechtkomen, zowel in ongunstige als in gunstige zin. In het laatste geval ligt de betekenis: gelukken voor de hand en dan is de stap naar: goed bekomen, behagen niet groot meer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bevallen ww. ‘behagen’ en ‘baren’, mnl. bevallen ‘te bed gaan liggen voor een bevalling; bezwijken; te kort schieten; uitvallen, aflopen; behagen’, mnd. bevallen ‘behagen’; daarnaast ohd. gifallan (nhd. gefallen) ‘toevallen, ten deel vallen’. Men neemt aan dat men voor de betekenis moet uitgaan van een uitdrukking als mnl. het bevallet wale ‘het lot, de dobbelsteen valt gunstig voor mij’ (en dan uit het oude krijgersleven, waarin de buit door het lot verdeeld werd) vgl. Kluge-Mitzka 239.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bevallen ww. Een samenst. van vallen. De bet. “aanstaan, behagen” is reeds mnl.: dan staat er echter (altijd?) wāle “goed” of een ander dergel. bijw. bij. = mnd. bevallen “bevallen”, vgl. met ander prefix ohd. gifallan (nhd. gefallen; mhd. gevallen nog altijd met wol of übel) “id.”. Wellicht is de oudere bet. “(goed, resp. slecht) uitkomen voor” en moeten wij hiervoor weer van de bet. “uitvallen, gebeuren” uitgaan, die inderdaad bij ohd. gifallan, mnl. bevallen, mnd. sik bevallen voorkomt en die zich ook bij andere ww. in verschillende talen uit “vallen” ontwikkeld heeft. Anderen gaan van “ten deel vallen” uit en zien in bevallen, hd. gefallen een oorspr. bij het verloten gebruikelijken term.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bevallen ono.w., van personen, vooral van zieken en zwangere vrouwen = vallen (of gedwongen zijn zich neer te leggen) om te blijven liggen; — van zaken = (naar het goed of slecht vallen van het lot) voorvallen, aanstaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bevallen ‘behagen’ -> Noors † befalle ‘behagen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bevallen* behagen 1285 [CG Rijmb.]

bevallen* een kind baren 1616 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal