Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beuzelen - (onzin vertellen, onbeduidende dingen doen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beuzelen ww. ‘onzin vertellen, onbeduidende dingen doen’
Vnnl. boselen ‘dwaasheden zeggen’ [1542; Pelegromius], beuselen oft beuselen segghen ‘fabeltjes, verzinsels vertellen’ [1573; Thes.], beuslen ‘onbeduidende dingen doen’ [1653; WNT].
Wrsch. een frequentatiefvorm met umlaut, afgeleid van → boos, dat in de Hollandse en de Groningse volkstaal de vorm beus heeft. Vanaf het Vroegnieuwnederlands bestond ook het zn. buesel, bijv. in: Nugae. Onnut, ijdel geclap, bueselen, oft niet sullende (= nietswaardige) dingen ‘leugenpraatjes, onzin’ [1542; Dasypodius]; beuselen (meervoud) ‘nietigheden’ [1672; WNT]. Zie ook → boeman en → boezelaar.
Oost-Fries böseln, Nedersaksisch böseln ‘bazelen, zwetsen’. Vormen zonder frequentatief tussenvoegsel en umlaut zijn mnl. bosen (overgankelijk) ‘boos maken’ [1350-1420; MNW], (onovergankelijk) ‘slecht worden’ [1440; MNW]; ohd. bōsōn ‘beuzelen, godslasterlijk spreken’ (< pgm. *bauson ‘boos worden of zijn’) (mhd. bosen, bœsen ‘slecht worden of zijn’), bōsa ‘gezwets, slechtheid’, bōsi ‘waardeloos, krachteloos, boos, zondig’. De werkwoordsvormen met umlaut gaan terug op pgm. *bausjan-.
NEW zoekt aansluiting aan mnl. bisen ‘wild rondlopen’ [ca. 1486; MNW]; ofri. būsen ‘zich onstuimig voortbewegen’ (nfri. biizje ‘wild heen en weer lopen (van koeien); zich snel en met kracht voortbewegen (van mensen); gekheid maken’); on. bysja ‘onstuimig stromen’ (nzw. busa ‘blindelings voortstormen’), zie → bezig, → bijster. Deze hypothese is niet wrsch. Ook verwantschap met ne. boast ‘opscheppen, pralen’ en nno. baus ‘heftig, trots’, mogelijk teruggaand op pie. *b(e)u-, *bh(e)u- ‘opblazen, zwellen’ (IEW 98), is vanuit semantisch oogpunt niet aannemelijk. Ten slotte ziet men ook wel verwantschap met → bazelen (Westfaals baseln ‘beuzelen’); dit is echter zeer onzeker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beuzelen* [onzin vertellen] {1573} vgl. oostfries böseln, oudhoogduits bison [onrustig ronddraven]; in sommige nl. dialecten is beuzelen zinloos rondlopen; middelnederlands bisen [wild rondlopen, rondzwerven], nl. dial. biezen [koeien biezen door de wei]; vgl. ook met ander vocalisme bazelen en bezig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beuzelen ww., sedert Kiliaen vermeld, vgl. oostfri. böseln, westf. bōseln ‘beuzelen’. Wat de betekenis aangaat is er op te letten, dat in sommige dial. het woord ook ‘rondlopen’ betekent (westvla. ‘met een dronkemansgang lopen’). Een frequentatief van germ. *būsan, bŭsan, dat wij aantreffen in oostfri. bū̆sen ‘zich ontstuimig bewegen’, nnoorw. būsa, nzwe. bŭsa, nde. bŭse ‘er op af stormen’. — osl. bystrŭ ‘snel’, behorende tot een wortel *bheu ‘zwellen’, waartoe ook zal behoren boos (zie aldaar). — Indien men uitgaat van een bet. ‘zich snel en onoverlegd bewegen’, kunnen daaruit de andere betekenissen ‘onbenullig handelen’ ontstaan zijn. — Zie ook: bazelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beuzelen ww., sedert Kil., die ook het znw. beusel “beuzelarij”, dat nu in de algemeene taal verouderd is, opgeeft. = oostfri. böseln, westf. boseln “beuzelen”. Vgl. ook zw. dial. byssing “dwaze kerel”. Het ww. beuzelen, böseln heeft nld. en ndd. dial. ook de bet. “rondloopen”, in ʼt Wvla. speciaal “met een dronkenmansgang loopen”. Deze bet. staat ons toe, het woord verder te combineeren met oostfri. bûsen “zich onstuimig bewegen”, zw. busa, de. buse “blindelings voortstormen”, on. bysja “met onstuimige vaart komen aanstroomen”. Met ablaut noorw. dial. bøysa “naar voren stormen”, bøysing “aanstormende dwaas”. Voor de bett. vgl. bazelen. De bet. “beuzelen” zal wel òf op “als een dwaas, onbenullig handelen” òf op “zich bewegen” > “doelloos rondloopen” teruggaan. Deze w.- en ngerm. woordgroep is verwant met ksl. bystrŭ “snel” (in ʼt Obg. “entrekhḗs, ervaren”), waarbij men ook lat. furo “ik raas” gebracht heeft, dat echter ook anders verklaard kan worden. Idg. bhŭ-s- is van een korteren wortel bhŭ- afgeleid; zie bui. Vgl. verder boos.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beuzelen. Zonder twijfel is boos verwant. Of echter oostfri. bûsen ‘zich onstuimig bewegen’, zw. busa, de. buse ‘voortstormen’ enz. erbij horen, is zeer onzeker. Deze laatste zullen eerder bij de onomatop. woordfamilie behoren, waartoe onder boos Suppl. een aantal bij boos vermelde germ. woorden is gebracht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

beuzelen ww.: liegen, jokken. Vnnl. 1542 boselen ‘dwaasheden zeggen’, 1573 beuselen oft beuselen zegghen ‘verzinsels vertellen’ (EWN), beuselen ‘beuzelen’ (Kiliaan). Oost-Fri. böseln, Ns. böseln ‘bazelen, zwetsen’. Freq. van beuzen < boos. Ohd. bôsôn ‘beuzelen, godslasterlijk spreken’, Mhd. bosen, bœsen ‘slecht worden’, bôsa ‘gezwets, slechtheid’, bôsi ‘waardeloos, boos, zondig’. Germ. *bausjan-. Verdere herkomst is onzeker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beuzelen ‘onzin vertellen’ -> Fries beuzelje ‘onzin vertellen’; Duits dialect böseln ‘liegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beuzelen* onzin vertellen 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal