Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beuling - (ingewanden, darmen; worst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beuling zn. ‘ingewanden, darmen; worst’
Mnl. bodels (mv.) ‘darmen, ingewanden’ [1293; Gysseling/Wyffels], bodelinge (mv.) ‘ingewanden’ [ca. 1350; MNW], ook bodelinc, bouwelinc, beudelinc, bolinc, beulinc ‘darmen, ingewanden; worst’; vnnl. beulinck, beulingh, bolingh ‘gevulde darm, worst, worstjes’ [1599; Kil.], beulingen (mv.) ‘(lever)worsten’ [1655; WNT]; nnl. (Vlaams) beuling ‘ingewanden van een dier; worst’ (Schuermans 1865-70).
Gevormd uit het Middelnederlandse achtervoegsel -inc en mnl. bodel ‘darm’, een woord dat via Oudfrans *bodel ‘ingewand’ (waaruit via boiel Nieuwfrans boyau ‘darm; slang aan pomp, binnenband van racefiets’) ontleend is aan middeleeuws Latijn *botella ‘darmen, ingewanden’, meervoud van Latijn botellus ‘worstje’, verkleinwoord van botulus ‘worst’, zie → botulisme. De vormen met -eu- ontstonden naar analogie van woordparen als bogelbeugel; logenleugen; meulenmolen.
De Nederlandse betekenis ‘worst’ kan niet uit Latijn botulus ‘worst’ overgenomen zijn, omdat deze betekenis in het Frans en het middeleeuws Latijn niet voorkomt. De beuling ‘ingewanden, darmen’ werd gebruikt om er worst in te stoppen, vandaar de betekenisoverdracht. De oorspr. Latijnse betekenis is dus uiteindelijk in het Nederlands weer opgekomen.
De theorie dat Frans boudin ‘worst’ (zie → pudding) afkomstig is uit middeleeuws Latijn *botellinus en dus indirect verband houdt met beuling, wordt algemeen verworpen (Rey, TLF).
Lit.: M. Gysseling/C. Wyffels (1962) ‘Diets in schepenverordeningen van Calais uit het eind der XIIIde eeuw’, in: Studia Germanica Gandensia 4, 9-30

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beuling [ingewanden, worst] {bodelinge [darmen, worst] 1350} < latijn botellus, botulus [worst] (vgl. botulisme).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beuling znw. m. mnl. bodelinc, bolinc, bouwelinc ‘darmen, ingewanden, worst’, nog in Zuid-Nederland in gebruik. Het woord stamt uit het fra. vgl. ofra. boel (nfra. boyau) < vulg. lat. *botellus < lat. botulus ‘darm’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beuling znw., mnl. bōdelinc, bōlinc (ȫ), ook bouwelinc (gh) m. “worst”, het mv. ook “ingewanden, darmen”. In Zuid-Nederland is beuling nog = “ingewand (van een dier)”. Afl. van *bōdel, *bouwel, die uit rom. *bodel(l)u- ontleend zijn; *bouwel misschien evenals eng. bowels “ingewand” via ofr. boel (fr. boyau) “darm”. Het rom. woord is uit lat. botellus, een verkleinwoord van botulus “worst” ontstaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beuling m., Mnl. bodelinc, gelijk Waalsch boudin, een afleid. van Mlat. bodellus, dimin. van Lat. botulus = worst; uit het Mlat. bodellus komt ook Ofra. boel, meerv. boyaux (waarvan het Nfra. enk. boyau), — en uit Ofra. boel het Eng. bowel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

beuling, zn.: bloedworst. Ook in Zvl., Waas en Br. betekent het ‘bloedworst’, maar verder is Vlaams beuling ‘ingewand van dieren’. Mnl. bolinc < bodelinc. Vnnl. beulinck ‘ingewand’ (Kiliaan). Zoals Fr. boudin, afl. van Mlat. bodellus < Lat. botellus, botulus ‘worst’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

beuling, -ink, bulling, bulk, zn.: bloedworst, pens; lijf. Ook in ZV en Land van Waas betekent het ‘bloedworst’, maar verder is Vlaams beuling ‘ingewand van dieren’. Mnl. bolinc < bodelinc. Vnnl. beulinck ‘ingewand’ (Kiliaan). Zoals Fr. boudin, afl. van Mlat. bodellus < Lat. botellus, botulus ‘worst’. Bulk < bullink.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

beulingen zn. mv.: ingewanden (van dieren). Mnl. bolinc < bodelinc ‘darmen, worst’. Vnnl. beulinck ‘ingewand’ (Kiliaan). Zoals Fr. boudin, afl. van Mlat. bodellus < Lat. botellus, botulus ‘worst’.

bullink zn. m.: bloedworst. Zelfde woord als beulink; zie beulingen.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

beuling (B, G, L, R, W, ZO, ZV), beureling, burling (E), zn. m.: ingewand (van dieren); bloedworst (B, L, W, ZV). Mnl. bolinc < bodelinc. Vnnl. beulinck 'ingewand' (Kiliaan). Zoals Fr. boudin, afl. van Mlat. bodellus < Lat. botellus, botulus 'worst'.

boeling (G), zn. m.: worst. 1836 12 zakken pataten sjaers, zonder den boelink en de schorren, Gent (LC). Zie beuling.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

beuling, builing (bloed)worst (West-Noord-Brabant). ‹ mnl. bolinc ‘ingewanden, worst’ ‹ mnl. bodelinc ‘ingewanden, worst’; onder toevoeging van een achtervoegsel « ofra. bodel (= fra. boyau ‘darm’) ‹ vulglat. *botellum ‹ lat. botulus ‘darm’.
Heestermans 1989, 85, NEW 51.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

beuling(e), zn. m. (v.).; meestal mv. beulingen: ingewand(en) (van dieren). Mnl. bolinc < bodelinc. Vroegnnl. beulinck ‘intestinum, vulgo bodellus’. Zoals Fr. boudin afl. van Mlat. bodellus < Lat. botellus, botulus ‘worst’.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

beuling (Noord-Brabants) ‘bloedworst’ (Oudfrans bodel ‘darm’)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

beuling. De eigenlijke betekenis van dit woord is ‘ingewanden’. In Gallitalo’s vertaling van Alle de geestige Werken [1682] van François Rabelais komt de bastaardvloek gans bloed beuling en darmen voor. Zweren bij lichaamsdelen van God was niets ongewoons. Dus ook niet ‘bij Gods bloed, ingewanden en darmen’. Alleen wanneer men dat te pas en onpas deed, werd de eedformule tot vloek en uitroep. → bloed, darm.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beuling ‘ingewanden; worst’ -> Duits Beuling ‘worstvormige, met buskruit gevulde ontsteker van mijnen’;? Menadonees bòlong ‘varkensworst’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal