Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beuker - (klopper, stamper)

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

220. Een beuker van een jongen.

Onder een beuker verstaat men in eig. zin een klopper, een stamper, een werktuig om vlas, koren te dorschen, mnl. boker, fri. beuker; vandaar bij overdracht ‘een kleine, stevige jongen’; vgl. no. 201 en zie Ndl. Wdb. II, 2273; Molema, 33 b: beuker = kleine jongen; fri. lytse beuker, kleine jongen; oostfr. bötel, kleine jongen; neders. boetel, korte knuppel. Ook heeft het de bet. van ‘een sterke jongen’ (eig. een die er op beukt?), in welken zin het voorkomt in de Brieven van Abr. Bl. I, 70: Een jong Kerel, die als een gezonde, sterke Beuker van een jongen naar de studie ging. Zie Boekenoogen, 60; Bouman, 9; De Vries, 64 en vgl. nog Halma, 110: Een deuvik, tap in eene ton, kort t'zamen gedrongen mensch.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal