Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beuken - (hard slaan of kloppen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beuken ww. ‘hard slaan of kloppen’
Mnl. bueken ‘slaan’ [1406; MNW], boken ende slaan ‘kloppen en slaan’ [1410; MNW]; daarnaast mnl. dial. bocken, boicken, boecken ‘slaan, kloppen’ [1477; Teuth.]; vnnl. boken, boocken ‘slaan’ [1599; Kil.].
Mnd. boken, böken ‘slaan, kloppen, pochen’; mhd. bochen ‘id.’, buchen ‘straffen’, puchen ‘plunderen’ (nhd. pochen ‘slaan, kloppen, pochen’); nfri. bûkje, bûtse, bûtsje; on. bauka ‘wroeten’ (nzw. böka).
Verwant met: Sanskrit búkkati ‘hij blaft’, búk-kāra-ḥ ‘leeuwengebrul’; Litouws búbyti, búbinti ‘een doffe slag geven, kloppen’; Oudkerkslavisch, Russisch bučati ‘dreunen’; Tsjechisch bučet ‘loeien’ < pie. *b(e)u-, *bh(e)u-, klanknabootsing voor een doffe slag (IEW 97).
Het woord is een klanknabootsing; een gelijksoortige vorming is → bonzen; verwant zijn → poken (een vorm met verscherpte anlaut) en → pochen; dat laatste werkwoord heeft als vroegere betekenis ‘kloppen’ gehad.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beuken* [hard slaan] {boken, bueken 1406} klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beuken ww., mnl. bōken, mnd. böken, mhd. puchen, bochen (nhd. pochen), zw. noorw. dial. boka ‘slaan, stoten’. Daarnaast nnl. dial. bocken ‘slaan, kloppen’. Een woord, dat de klank van de slag nabootst; dergelijke woorden ook in het balto-slavisch: russ. búkať ‘een luide slag geven’, lit. bùbyti, bùbinti ‘een doffe slag geven’ bij de interj. bùps ‘bons’. Van gelijksoortige vorming is bonzen. — Zie ook: bok 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beuken ww., mnl. bōken, bȫken “slaan, kloppen”. = mhd. puchen, bochen (nhd. pochen), mnd. bōken “id.”, ook “pochen”, zw. noorw. dial. boka “slaan, stooten”. Hierbij Teuth. nnl. dial. bocken “slaan, kloppen” (ook elders, zie bok II). Onomatop.; vgl. bijv. nld. bonzen “slaan” en lit. bùbyti, bùbinti “een doffen slag geven, kloppen”, nu-bùbyt “afranselen” bij de interjectie bùps “bons”, russ. bùkat’ “een luidklinkenden slag geven”. Vgl. met anderen anlaut poken. Zie ook pochen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

beuke (ww.) 1. hard huilen 2. schreeuwen; Middelnederlands bueken <1406> < Rienlands bööken.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

beuken, ww.: huilen, gillen, schreeuwen. Keuls böke. Afgeleide betekenis van beuken ‘slaan’, Mnl. boken ‘slaan’, D. pochen ‘kloppen’, N. dial. boka ‘slaan’. Klanknabootsend. Voor de betekenis, vgl. het slaan van de nachtegaal.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

boken ww.: (vlas) dorsen. In OV ‘dorsvloer aanstampen met zware hamer’. Mnl. boken, bueken ‘slaan, kloppen’, boken ende slaen, Vnnl. boken, booken ‘slaan, kloppen’, boocken het vlasch ‘vlas dorsen’ (Kiliaan). Mnd. boken, böken ‘slaan, kloppen’, Mhd. bochen, D. pochen ‘slaan, kloppen’, Fri. bûkje, Zw., N. boka ‘slaan, stoten’. Idg. *b(e)u-, klanknabootsend voor doffe slag. Vgl. ook boten. Samenst. bookhamer ‘hamer voor het dorsen van vlas’: Vnnl. boockhamer (Kiliaan), vgl. boothamer. Zie ook ongebookt.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

beuken huilen (Limburg). = beuken ‘slaan’ = mnl. boken ‘slaan’ = hgd. pochen ‘kloppen’ = no. dial. boka ‘slaan’. Klanknabootsend zoals russ. búkatj ‘een luide slag geven’. Semantische parallellen: het slaan van de nachtegaal en lat. plangere ‘slaan’ en ‘luid jammeren’.
Schuermans 49, Kroesels 134, Amkreutz e.a. 39, 62.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

beuk III: ww., “slaan”; Ndl. beuken (Mnl. boken, dial. o.a. boeken), Hd. pochen, “slaan”, vroeër wsk. kn.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

beuk. Als men in Den Haag de verwensing krijg een paar beuken! of krijg een paar achter een stronttank gevonden beuken! gebruikt, dan heeft dat niets met de beukenboom of met beuk in de betekenis ‘harde klap, slag’ te maken. Wel geeft men ermee te kennen dat men woedend is of zich ergert. De meest actuele betekenis van de verwensing is ‘rot op, ik wil niks meer met je te maken hebben’. Vgl. Bral e.a. (1998).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beuken ‘hard slaan’ -> Zweeds boka ‘ijzer in kleine stukken verdelen zodat het in de oven past’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect bôkî ‘afrossen; volstoppen, inwikkelen’; Petjoh beuken ‘hard slaan’.

beuken ‘(van) beukenhout’ -> Frans dialect beûkine ‘bos van sterke takken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beuken* hard slaan 1406 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

b(e)u-1, bh(e)u- schallnachahmend für dumpfe Schalleindrücke, z. B. Uhuruf, dumpfer Schlag u. a.

Npers. būm ‘Eule’; arm. bu, buēč ‘Eule’ (ohne Lautverschiebung im Schallwort), gr. βύᾱς m., βῦζα f. ‘Uhu’, βύζειν ‘wie ein Uhu schreien’, lat. būbō ‘Uhu’, bulg. buh ‘Uhu’, russ. búchatь ‘dumpf und lang anhaltend schreien’; lit. baublỹs ‘Rohrdommel’, baũbti ‘dumpfbrüllen’, bubenù ‘dröhne dumpf’; lat. būtio ‘Rohrdommel’, būteo ‘eine Falkenart’; gr. βοή ‘Ruf’, βοάω ‘schreie’ (daraus lat. boāre ‘rufen’), βωστρέω ‘rufe an, um Hilfe’ (*βοϝαστρέω), scheinen von solchem bū̆- aus als Reimworte zu γοή, γοάω (s. Wz. gō̆u-) gebildet.
Mit auslautenden Gutturalen: ai. búk-kāra-ḥ ‘Gebrüll des Löwen’, bukkati ‘bellt’ (av.bučahin- ‘der das Geheule, Gefauche an sich hat’, buxti- ‘Heulen, Fauchen’?), gr. βύκτης ‘heulend’.
Vielleicht mir. bōchna ‘Meer’ (‘*tosende Brandung’; Gdf. *boukaniā); lit. bùkčius ‘Stammler’, lett. bũkšk̨êt ‘dumpf schallen’; slav. buk- (aus hochstufigem *bouk-) in russ.-ksl. bučati ‘dröhnen’, serb. bȗčēm, búkati ‘brüllen’, búčīm, búčati ‘tosen (vom Meere)’; *būk- in russ. usw. byk ‘Stier’; über angebl. *bŭk- in aksl. bъčela, bьčela ‘Biene’ (vgl. russ. byčátь ‘summen, von Bienen’) s. unten bhei- und WH. I 555; nasaliert poln. bąkać ‘halblaut reden, murmeln’, bąk ‘Rohrdommel’, alt ‘būbō’; in der Anwendung auf dumpfen Schlag russ. búkatь, búchatь (*bouk-s-) ‘stoßen, schlagen, daß es schallt’, buch ‘plumps!’, serb. búhnuti ‘losbrechen’, bušiti ‘schlagen, werfen, stürzen, mit Gepolter fallen’, lit. bukùoti, lett.baũkš ‘Bezeichnung eines durch starken Schlag oder Fall hervorgebrachten Schalles’, vermutlich auch buka ‘Faustschlag’ (auch lit. bukùs ‘stumpf’ hierher als ‘durch Schlagen stumpf geworden’?); mhd. buc ‘Schlag, Stoß’ (ohne Lautverschiebung durch stete nebenherlaufende Neuschöpfung), puchen, buchen, nhd. pochen, ndl. beuken ‘schlagen, stoßen’, schwed. boka, bauka, buka ds. (aber auch ‘graben, wühlen’, wie aisl. bauka; dies ein versch. Wort? s. auch WH. I unter faux), engl. to poke ‘stoßen, stechen’, norw. pok, pauk ‘derber Knüttel’, vielleicht mir. būalaim ‘schlage’ (*bougl..., oder zu bhāu-d- ‘schlagen’).

WP. II 112 f., WH. I 111, 119, 124, 470.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal