Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beuk - (boom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beuk 1 zn. ‘boom (Fagus sylvatica)’
Onl. in de plaatsnamen Bochursti ‘Bokhorst (Gelderland)’ [806; Künzel 93], Buokholte ‘Boechoute (Oost-Vlaanderen)’ [950; Gysseling 1960, 156] en in de naam van een onbekende Oost-Vlaamse waterloop Buoclaca (< pgm. *bōkō- ‘beuk’ en *laku ‘waterloop’) [768-814; Gysseling 1960, 206]; mnl. boeke [1287; CG II, Nat.Bl.D], bouke, boec, boke, boeke (Zaanstreek), bouk (West-Vlaams); vnnl. bueck [1555; Luython], boecke, buecke [1599; Kil.] en zonder umlaut: beuk(e), büke (Saksische gewesten, ook in Elten-Bergh), bükebom (Bommel), bik (met ontronding; Aalst, Leuven), boük (Noordhorn), Oost-Vlaams beuk, buuk.
Os. bōka (mnd. böke); ohd. buohha [8e eeuw] (mhd. buoche; nhd. Buche); nfri. boek, boeke(l)beam; oe. boctreow ‘beukenboom’; on. bók (nde. bog; nzw. bok); < pgm. *bōk(ō) < pie. *bheh2ǵ- ‘beuk’. Vormen met umlaut zijn oe. bœce [ca. 700], later bēce (ne. beech) < pgm. *bōkiō-. Niet verwant zijn got. boka ‘letter’ < pgm. *bōkz, mv. *bōkiz ‘plankje voor het insnijden van letters’, zie → boek.
Verwant met Latijn fāgus ‘beuk’; Grieks Attisch phēgós, Dorisch phāgós ‘soort eik’; Gallisch *bāgos (in plaatsnamen); Albanees bung < pie. *bheh2g- (IEW 107). Men verbindt deze woorden wel eens met het Griekse werkwoord phageĩn ‘eten’ en veronderstelt daarom een oorspr. betekenis ‘boom met eetbare vruchten’, hetgeen zowel voor de eik als de beuk zou gelden. Dit verband is onbewijsbaar.
Doordat er in het westen geen umlaut van lange vocalen optrad, zijn er in het Nederlands twee vormen ontstaan: het oostelijke beuk(e) (met i-umlaut) en het westelijke boek(e). Door homoniemenvrees (verwarring met boek) is de laatste vorm overal verdwenen; hij is alleen nog bewaard gebleven als samenstellend deel in de plaatsnamen Boekhorst (Friesland), Bokhoven (Noord-Brabant) en in de afleiding Bokt (Noord-Brabant) en in → boekweit en → boekvink.
De beuk kwam blijkbaar niet voor ten oosten van de lijn die van Koningsbergen (Kaliningrad) over Werma naar de Krim loopt. Er bestaat een Proto-Indo-Europees woord voor ‘beuk’, dus concludeerden sommigen hieruit dat de Indo-Europeanen ten westen van die lijn gewoond moeten hebben. Het woord kan echter ook andere boomsoorten aanduiden, zoals in het Grieks. In dit verband is ook de vorm Russisch buziná ‘vlierthee’ tekenend. Verdere verwante woorden in de oostelijke Indo-Europese talen zijn moeilijk aanwijsbaar; de oorspr. betekenis is onduidelijk. Door pollenanalyse is overigens aangetoond dat de beuk ook verder oostelijk voorkwam.
Uit het Germaans komen Oudkerkslavisch bukŭ ‘beuk’ (Tsjechisch buky ‘beuk’, Servo-Kroatisch buẽkva ‘beuk’).
Lit.: Hoops s.v. Buche paragrafen 1 en 2; J. Taeldeman (1992) ‘De beuk in de Nederlandse dialecten: een klankgeografisch buitenbeentje’, in: Studia Neerlandica et Germanica (= Acta Universitatis Wratislaviensis 1356) Wrocław, 435-460

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beuk1* [boom] {in de boerderijnaam Bochursti, nu Bokhorst (Gld.) <806>, boeke 1287} oudsaksisch boka, oudhoogduits buohha, oudengels bōc, boece [boek], gotisch boka [letter] (vgl. boek1); buiten het germ. latijn fagus [beuk], grieks phègos [eik, eikel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beuk 1 [Aanvullingen en verbeteringen]: het koerdische woord is in dit verband te schrappen, daar het teruggaat op grondvorm wiz ‘olm’, vgl. W. Eilers-M. Mayrhofer, Fschr. Hančar 1962 blz. 80-85

beuk 1 znw. m. ‘boomnaam’, mnl. boeke, bōke v., mnd. oostfri. bȫke v., os. bōka v., ohd. buohha v. (nhd. buche), oe. bēce v. (ne. beech) wijzen terug op een grondvorm *bōkiōn, een afleiding van *bōka: mnl. boec m., oe. bōctreow o., ‘beukeboom’, on. bōk v., vgl. got. bōka ‘letter’ (waarvoor zie: boek). — lat. fagus (met dezelfde bet. als het germ.!), gr. phēgós dor. phagós ‘eik’, gall. bagos in plaatsnamen zoals Bacenis silva ‘Harz’.

Men stelt het woord het best bij gr. phágein ‘eten’ en dan kan men de naam verklaren als de boom met de eetbare vruchten, van welke aard dan ook. — Loewenthal, WS 10, 1927, 155 wil als idg. wt. *bhaugos ‘voedsel’ aannemen, waarvoor hij vergelijkt arm. bucanem ‘voeden’, boic ‘voeding’, wat weinig waarschijnlijk is. — Het is echter opmerkelijk, dat het nijsl. een woord baukr ‘doos’ en beyki ‘beuk’ heeft; die wat de vocaal betreft corresponderen met mnl. būken, buyken ‘in beukenloog wassen’, vgl. mhd. būchen, biuchen, nhd. bauchen, bäuchen. Specht, Idg. Dekl. 62 verklaart de wisseling germ. ō : ū als een ablaut idg. ā(u) : ū. — Dezelfde ablaut vertoont de slavische naam van de ‘vlier’ en wel diftong in russ. dial. buz naast alg. buziná, maar lange ū in oekrains byze. In het koerdisch betekent buz weer een olmsoort. Het komt echter vaker voor, dat boomnamen andere soorten benoemen, vgl. lat. quercus ‘eik’, maar germ. foraha ‘den’. — Als idg. grondvorm kan men dan aannemen een cons. decimerend woord: nom. *bhā(u)gs: gen. bhūgós (s. W. Wissmann, Der Name der Buche, Vorträge der AW Berlin Heft 50, 1952, 26). — Vroeger verbond men *bhā̀gos ‘beuk’ met *bhag ‘toedelen’ (waarbij gr. phágein) en dacht aan een grondbet. ‘boom met eetbare vruchten’, maar IEW 107 scheidt deze beide wortels terecht, wijst echter toch op E. Leumann KZ 57, 1930, 190, die de boomnaam in verband brengt met av. baga ‘lot, aandeel’ en dan denkt aan een boom, waarvan afgesneden takken als lotstaafjes met ingeritste tekens gebruikt werden; maar mag men dit door Tacitus voor de Germanen vermelde gebruik reeds voor het idg. aannemen? Het is beter af te zien van pogingen het woord *bhāug- nog verder te analyseren. — Gewichtiger is het er op te wijzen, dat de overeenstemming tussen het germ. en ital. in de betekenis ‘beuk’ er op wijst, dat beide volken binnen het verbreidingsgebied van de beuk liggen, ten Westen van een lijn, die van Koningsbergen over Warna naar de Krim loopt; men heeft daarom ook in de idg. naam van deze boom een argument gezien voor de oorspr. woonplaats der Indogermanen. Dit ‘beuken’ argument is op verschillende gronden bestreden, maar het blijft nog altijd de overweging waard (vgl. Wissmann t.a.p. 27). — In de ndl. dialecten treffen wij verscheidene vormen aan, zo in het saksische gedeelte beuk (daarvan ook de officiële naam). In Aalst en Leuven zegt men bīk, in Noordhorn böük, in de Zaanstreek boek en boekǝ, in het westvla. bouk. In plaatsnamen als Bokhorst, Bokt vinden wij de verkorte vorm bŏk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beuk I (boom). Beuk(e) d.w.z. bö̂k(ə) is klankwettig uit wgerm. *bôkiôn- ontstaan op de Veluwe en in een gedeelte van de saks. provinciën. Eveneens klankwettig zijn: bü̂k(ə), elders in de saks. gewesten, ook in Elten-Bergh., bükəbôm bij Bommel, bîk in Aalst en Leuven, böük in Noordhorn, boekə (d.i. bukə) in de Zaanstreek, wvla. bouk. In ʼt Mnl. is boeke (bouke) v. de gewone vorm. Deels beantwoorden deze vormen aan wgerm. *bôkiôn-. mnd. bö̂ke, oostfri. bö̂k(e), ags. bêce v. (eng. beech) “beuk”, maar Zaansch boekə zal wel evenals fri. boek = ohd. buohha (nhd. buche), os. bôka v. “beuk“, got. boka v. “letter” wezen. Een derde stam is germ. *ƀôk-, on. bôk v. “beuk, boek” (bø̂kiskôgr m. “beukenbosch” bevat een afl. bø̂ki o.), ags. bôc-trêow o. “beuk” (vgl. verder bij boek), wellicht ook in achterh. Bôklô “Boekeloo”. Uit het Got. komt slav. *buky “beuk, letter” (obg. bukŭvi mv. “letteren, brief”, serv. bükva “beuk”). Buiten het Germ. vgl. lat. fâgus “beuk”, gr. phēgós, dor. phagós “een soort eik”. Voor andere idg. boomnamen zie eik. Het is niet gewenscht idg. *bhâg- (ĝ?) uit *bhâuĝ- af te leiden en koerd. bûz “een soort olm”, russ. boz “vlier” (*bŭzŭ) te vergelijken; ook ijsl. beyki o. “eikenbosch”, beykitrje “beuk” kan een idg. bhâuĝ- niet waarschijnlijker maken. Ander combinaties (zooals met buik) zijn nog minder aannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beuk I (boom). Voor de Zaanstreek wordt zowel boek als boekǝ opgegeven.
Het is wsch. niet nodig, voor het Wgerm. een ô-stam = got. boka aan te nemen: os. bôke (niet bôka) nom. sg. wijst op *bôkiôn-, ook ohd. buohha (blijkens mhd. buoche een vr. n-stam) kan daarop berusten. Fri. boek representeert dan wellicht de stam *bôk-. Vgl. behalve boek, ook nog boekweit.
Hoewel de verwantschap van koerd. bûz ‘een soort olm’, russ. boz ‘vlier’ door velen wordt aanvaard (o.a. WP. II, 128 vlg. met litt.; Hoops Reall. I, 342 vlgg.), is het beter in dezen met Schrader-Nehring 171 vlg. het afwijzende standpunt te handhaven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beuk 1 m. (boom), + Ags. bece (Eng. beech), vormen met umlaut wegens het jod-suffix; daarnevens zonder jod-suffix Nnl. boekwijt en Mnl. boeke, Os. bôka + Ohd. buohha (Mhd. buoche, Nhd. buche), Ags. bóc, On. bók (Zw. bok, De. bøg), Go. boka = letter + Lat. fagus, Gr. phēgós, (= eik met eetbare vrucht); Idg. wrt. bhag = eten (z. boek).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

beuk I: pln. (spp. Fagus, fam. Fagaceae); Ndl. beuk (Mnl. boeke, reeks dial. vorme, o.a. bük(e), boeke), Hd. buche, Eng. beech, hou verb. met boek, boekstaaf, boekweit en hoërop met Lat. fagus, “beuk”, en Gr. phagos/phêgos, “soort eik”, in Afr. gew. boekenhout (q.v.).

beuk II: “ruimte tussen pilare in kerk”; Ndl. beuk (sedert Kil), doeb. v. buik (by Kil reeds beuck/buyck).

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

beuk
Fagus sylvatica L.

In het Middelnederlands heette de boom al boeke, bouk of beuke; de naam is heel oud en naar de betekenis ervan heeft men het raden.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Beuk, Fagus sylvatica
Fagus: Latijnse naam voor de beuk is verwant met het oude Griekse woord phegos dat stond voor een boom met ronde eetbare vruchten.
Sylvatica: de plant groeit voornamelijk in het bos.
Beuk: de woorden boek en beuk zijn nauw met elkaar verwant en als woord haast hetzelfde. De eerste boekingen werden verricht op plankjes van beukenhout en bij het uitvinden van de boekdrukkunst werd beukenhout gebruikt om letters en houtsneden te vervaardigen. Men wilde belangrijke dingen boekstaven.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beuk* boomsoort 0806 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhāgó-s ‘Buche’, f.

Gr. φηγός, dor. φᾱγός f. ‘Eiche’ (vgl. Specht KZ. 66, 59); lat. fāgus f. ‘Buche’; gall. bāgos in ON Bāgācon, Bāgono-; ahd. buohha ‘Buche’ (bōkōn-, vgl. silva Bācenis ‘Harz’ bei Caesar und mlat. Bōcōnia ‘Rhön’), aisl. bōk f., ags. bōc, bēce (bōkjōn-), dazu got. bōka f. ‘Buchstabe’, aisl. bōk, ags. bōc, ahd. buoh f. n. ‘Buch’, ahd. buohstap ‘Buchstabe’, eigentlich ‘Buchenstab zum Einritzen’.
Nisl. beyki n. ‘Buchenwald’ ist (wegen bæki ds.) Schreibvariante von *bӧ̥̄ki, einem späten Kollektivum zu bōk; ebenso ist vielleicht nisl. beykir ‘Küfer’ zu erklären. Unklar ist mir aisl. buđkr, bauđkr ‘Medizinkasten’, das nach Cleasby-Vigfusson 85b ein Lw. aus mlat. apotheka ‘Behälter’ sein soil?
Slav. *buza- : *bъzъ- ‘Holunder’ in russ. buz m. : slov. bɛz, russ. dial. boz bleiben wohl fern; ebenso kurd. būz ‘eine Art Ulme’, das auf älteres vūz (aus idg. *u̯igós) zurückgeht. Mhd. būche, biuche ‘Lauge’, biuchen, būchen ‘in Lauge kochen oder waschen’ gehört eher zur Wz.bheug(h)- ‘reinigen, fegen’.
Ein idg. Nebeneinander von bhāug- (: bhǝug-: bhū̆g-) und bhāg- ist äußerst unwahrscheinlich; vgl. W. Schulze KZ. 27, 428 = Kl. Schr. 55.
Vielleicht nach E. Leumann (KZ. 57, 190) zu av. baga- ‘Anteil, Los’, also ‘Losbaum’, da in dessen Reiser Zeichen eingeritzt wurden.

WP. II 128 f., WH. I 445 f., 863 f., E. Passler in ‘Frühgesch. u. Sprachw.’ (Wien 1948).

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal