Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bestendig - (duurzaam in stand blijvend), (zonder ophouden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bestendig bn. ‘duurzaam in stand blijvend’, bw. ‘zonder ophouden’
Vnnl. bestentich (bn.) ‘duurzaam’ [1569; WNT], bestendigh (bw.) ‘zonder ophouden’ [1645; WNT].
Ontleend aan Vroegnieuwhoogduits bestendig ‘blijvend, duurzaam’ [1564] (Nieuwhoogduits beständig), een afleiding met umlaut van het zn. bestant ‘het voortduren’ (nhd. Bestand), zie → bestand 2, → bestand 3. De Duitse vorm raakte vooral ingeburgerd door Luthers bijbelvertaling.
Ook mnd. bestendich ‘voortdurend, duurzaam’; nfri. bestindich.
Vroeger bestond naast bestendig de variant bestandig (vnnl. bestandich [1573; Thes.], be-standigh [1599; Kil.]), die een afleiding is van het zn.bestand 2.
onbestendig bn. ‘ongestadig’. Mnl. onbestendich, onbestandich ‘geen stand houdende, niet geldig’; vnnl. ‘ongestadig, veranderlijk’ [1573; Thes.]. Afleiding met → on-. De Middelnederlandse betekenis van dit woord wordt nog in de 17e eeuw aangetroffen in bijv. een onbestandige koop ‘een koop die rechtens ongeldig is’. In de hedendaagse betekenis is het overgenomen uit het Vroegnieuwhoogduits via de Bijbel van Deux-Aes [1562], die een vertaling van het Oude Testament uit de Lutherbijbel bevat. ♦ -bestendig, achtervoegsel ‘bestand tegen’. In samenstellingen als hittebestendig ‘bestand tegen hitte’ of zuurbestendig [1911; WNT zuur II].
Lit.: Ponten 1968, 585; Vooys 1946a, 10

EWN: bestendig bn. 'duurzaam in stand blijvend', bw. 'zonder ophouden' (1569)
ANTEDATERING: unde bestendich ghebleven is 'en duurzaam gebleven is' [1551; Joris 2, 136r]
Later: bestendich in der vreese Gods 'standvastig in de vreze Gods' [1562; Deux-Aes, Tob 2:14]
EWN: ♦ onbestendig bn. 'ongestadig' (1573)
ANTEDATERING: onbestendich 'veranderlijk, vergankelijk' [1546; Calepinus, s.v. fluxus]
EWN: ♦ -bestendig, achtervoegsel 'bestand tegen' (1911)
ANTEDATERING: Vuurbestendig [1703; Petersen, bijvoegsel Kurze Untersuchung, 101]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bestendig [blijvend] {1569} < hoogduits beständig, vgl. verouderd nederlands bestandig [stand houdend].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bestendig

In het hedendaagse Nederlands wordt bestendig alleen nog gebruikt bij weersverwachtingen en als aanduiding op de barometer. Men noemt het weer bestendig als het vast, zichzelf gelijkblijvend is. In vroeger tijd gebruikte men daarnaast in gelijke betekenis ook: bestandig, dat natuurlijk is afgeleid van het zelfstandige naamwoord bestand, dat zelf weer komt van het werkwoord bestaan. Bestaan had in het Middelnederlands ook de betekenis: blijven staan; vandaar dat bestand betekent: het niet voortgaan met vijandelijkheden, wapenschorsing. Bekend is het Twaalfjarig Bestand. Bestandig wilde dus zeggen: duurzaam, blijvend. Onder invloed van het Duitse beständig is het, menen sommigen, door bestendig vervangen. Anderen zien er een oorspronkelijk Oostnederlands woord in.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bestendig bnw. nog niet bij Kiliaen, oorspr. oostnl., (zo v. Haeringen Suppl. 17), is te vergelijken met mnd. bestendich ‘geldig’, mhd. bestendec ‘bestendig; volwassen’. — Een afleiding van bestand, een samenstelling van stand.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bestendig bnw., nog niet bij Kil. Uit mhd. bestendec, nhd. beständig, een afl. van mhd. bestant, nhd. bestand m. “het voortduren” (bij mhd. bestân, nhd. bestehen). Voor den vorm zie stand.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bestendig. Anno 1588 (Br. Kw. Arnhem 5706, Rijksarchief te Arnhem) in de bet. “geldig”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bestendig, kan ook een ospr. oostndl. woord zijn = mnd. bestendich. De bet. ‘geldig’, die v. Wijk Aanv. anno 1588 te Arnhem aanwijst, maar ook reeds 1574 bij Marnix voorkomt, is ook aan het mnd. woord eigen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bestendig bijv., met e = ä van bestand (z. stand).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bestendig (Duits beständig)
-bestendig (Duits -beständig)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

-bestendig(heid)

In het Nederlands betekent bestendig ‘duurzaam’, ‘blijvend’, bijv. ‘een bestendige kleur’, ‘bestendig weer’. Soms wordt het echter in navolging van het Duits (‘-beständigkeit)’) als tweede lid van een samenstelling gebruikt, vooral in technische woorden, zoals in corrosie-, hitte-, kras-, licht-, roest-, schok-, slijt-, vocht-, vorst-, vuur-, warmte-, water-, weer-, zoutwater-, zuurbestendig.

Sommige daarvan kan men elke dag in de kranten (vooral in het Noorden) tegenkomen:

‘een hoog hittebestendig bindmiddel...’ (Elseviers Magazine, 2.12.72, p. 143)
‘...schokbestendig thermoplastisch materiaal...’ (Elseviers Magazine, 25.11.72, p. 201)
(Van materiaal voor een zwembad) ‘vorstbestendig, zuurbestendig en kleurecht’ (Elseviers Magazine, 18.11.72, p. 45)
‘...zoutwaterbestendige rally-band...’ (Elseviers Magazine, 2.12.72, p. 13)

Samenstellingen met het substantief bestendigheid, zoals de volgende, zal men slechts sporadisch aantreffen:

‘Versterkerstations en districtscentrales voor de telefoon- en telexdienst staan nog steeds in glazen huizen zonder enige bescherming of schokbestendigheid’. (Elseviers Magazine, 25.11.72, p. 133)

Alle puristen keuren deze samenstellingen af. Ook Koenen en Van Dale geven de voorkeur aan ‘bestand tegen’ of aan een samenstelling met ‘-vast’. De andere woordenboeken (behalve Jansonius, die de meeste ervan vermeldt) vinden het niet eens de moeite waard om deze woorden op te nemen, die bijna uitsluitend in technische reclametaal voorkomen. Nochtans is het type zelf nogal produktief. De frequentste samenstelling met bestendig schijnt hitte- te zijn.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

bestendig. - Ten onrechte heeft men bij de stichting der Koninklijke Vlaamsche Academie de benaming Sécrétaire perpétuel door bestendige Secretaris vertaald. Dit is met ons taaleigen in strijd: bestendig kan alleen in toepassing op werkingen en toestanden gebruikt worden. Terwijl men toch aan het borgen was, waarom het niet liever bij onze Noorderbroeders gedaan, en hunne uitdrukking aangenomen, t.w. vaste Secretaris, zooals de “Sécrétaire perpétuel” van het Koninklijk Instituut heette?

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bestandig, bestendig ‘standhoudende; duurzaam, blijvend’ -> Deens bestandig ‘blijvend’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bestandig ‘weerbaar tegen chemische afbraak; steeds (weer) blijvend; (verouderd) standhaftig, trouw, houdbaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds beständig ‘blijvend, duurzaam’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands bestandig ‘standhoudende; duurzaam, blijvend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bestendig blijvend 1569 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal