Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beseffen - (vatten, zich ten volle bewust zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beseffen ww. ‘vatten, zich ten volle bewust zijn’
Mnl. beseffen (met preteritum besief, besoef) ‘ondervinden, gevoelen’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ‘begrijpen, inzien’ [1350-1410; MNW]; vnnl. beseffen ‘gevoel, besef van iets hebben’ [1548; WNT].
Gevormd uit het voorvoegsel → be- en een onzeker tweede deel.
Os. af-, biseffian ‘bemerken’; ohd. ant-, in(t)seffen ‘inzien, bemerken, waarnemen’ (mhd. beseben ‘waarnemen’); nfri. beseffe (ook beseffeleas, dat onder meer ‘bewusteloos’ betekent). De aannemelijkste etymologie gaat uit van verwantschap met: os. seƀo; oe. sefa ‘zin, gemoed, begrip’ en on. sefi, zie → sap.
Op Indo-Europees niveau zou er dan verwantschap zijn met Latijn sapere ‘smaken, ruiken; verstandig of wijs zijn’ (vandaar Frans savoir ‘weten, kennen’); Avestisch višāpa ‘waarvan de sappen giftig zijn’; Armeens ham ‘smaak, sap’. Dit zou de wortel pie. *s(e)h1p- ‘smaken, waarnemen’ (zie IEW 880 sap) kunnen zijn, maar verwantschap met sap is daar onmogelijk.

EWN: beseffen ww. 'vatten, zich ten volle bewust zijn' (1287)
ANTEDATERING: Nie ne besief hi deimsterhede 'nooit bemerkte hij gezichtsverzwakking' [1285; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beseffen* [goed begrijpen] {1287 in de betekenis ‘smaken, proeven, gevoelen, ondervinden, in zich waarnemen’} oudsaksisch biseffian [bemerken], oudhoogduits intseffen [inzien], oudengels sefa [zin, gemoed], oudnoors sefa [tot rust brengen]; buiten het germ. latijn sapere [smaken, proeven, inzicht hebben] (frans savoir [weten]).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

beseffen

Het werkwoord beseffen was vroeger sterk. Men zei: ik besoef, ik besief en zelfs: ik besof. De betekenis was oudtijds: een aandoening ondervinden, smaken. De stam – sef – is ontstaan uit – sap –, een vorm die men terugvindt in het Latijnse werkwoord sapere: een bepaalde smaak hebben en figuurlijk: verstandig zijn. Het is niet eenvoudig te omschrijven wat men thans onder beseffen verstaat. Het gelijkt op begrijpen, maar eerder met het gevoel dan met het verstand. Men zegt bijvoorbeeld: Het kind beseft niet wat het door de dood der moeder verliest. Als uitgangspunt neemt men aan het begrip proeven en sommigen menen dat het zelfstandige naamwoord sap met beseffen verwant is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beseffen ww., mnl. beseffen (sterk ww., verl. t. besoef naast besief, verl. deelw. beseven) ‘smaken, ondervinden, gevoelen, bemerken, gewaar worden, begrijpen, kunnen, denken, vernemen, horen’, daarnaast ook ontseffen (praet. ontsoef), vgl. ohd. antseffen, intseffen (praet. intsuab) ‘inzien, bemerken’, mhd. entseben ‘proeven, begrijpen’, os. afseffian, biseffian ‘bemerken’. Daarnaast staat on. sefa ‘tot rust brengen’, eig. ‘tot bezinning brengen’, dat verder samenhangt met os. seƀo, oe. sefa, seofa, on. sefi ‘zin, gemoed’.

De etymologie is niet geheel zeker. — 1. gewoonlijk gesteld bij lat. sapio ‘smaak, ben wijs’, av. vīšāpa ‘waarvan de sappen giftig zijn’, arm. ham ‘smaak, sap’ van een idg. wt. *sap, sab ‘smaken, waarnemen’ (IEW 880). — 2. Daarentegen verbonden met oi. sapati ‘verzorgt’, gr. hépō ‘bezorg, behandel’ (Wood, GPh 2, 218). — De scherpe s in plaats van de te verwachten z kan men, evenals in suffen toeschrijven aan de volgende ff.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beseffen ww., mnl. beseffen (praet. besoef, ook reeds besief e.a. vormen, maar nog niet zwak; beseven) “smaken, ondervinden, gevoelen, bemerken, gewaar worden, begrijpen, denkvermogen hebben, vernemen, hooren,” ook (zelden) ontseffen (: ontsoef) “gevoelen, gewaar worden”. Voor de ndl. s (niet z) vgl. suffen. = ohd. ant-, int-seffen (praet. intsuab) “inzien, bemerken” (mhd. entseben “proeven, begrijpen”), os. af-, bi-seffian “bemerken”. Verwant met ier. saer (*sapero-) “artifex”, lat. sapio “ik smaak, heb smaak, ruik (intrans.), ben verstandig”, arm. ham (*sap-mo-) “smaak, sap”. Vgl. sap. Os. sëƀo, ags. sëfa, on. sëfi m. “geest, gemoed” zullen wel verwant zijn, ofschoon de e bevreemdend is; men heeft deze woorden ook bij gr. hépō “ik zorg voor”, arm. epʿem “ik kook, bak”, oi. sápati “hij zorgt, maakt zich druk” gebracht. De combinatie hoogerop van idg. sap- “smaken” met lat. sôpio “penis”, prô-sâpia, -iês “progenies”, arm. ham-kʿ “membrum virile, genitale mulibrie”, oi. sápa- “penis”, sápáyant- “futuens” is een niet goed gemotiveerde hypothese.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beseffen o.w., Mnl. beseffen, beseven, sterk ww. van de klasse van heffen of scheppen, met jod-praesens, thans heel zwak, Os. anseffjan, afseffjan + Ohd. intseffen, Ags. sefa (= verstand) + Lat. sapere = wijs zijn (Fr. savoir) — De Ndl. s uit z onder invloed der ff.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Beseffen. Het stamwoord seffen, dat echter niet voorkomt, is verwant met het Gr. sophos = wijs, en ’t Lat. sapere = wijs zijn. (Fr. savoir = weten.) Het woord w.d. z.: ten volle iets weten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beseffen ‘goed begrijpen’ -> Duits dialect † beseffen ‘begrijpen, bedenken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beseffen* goed begrijpen 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sap-, sab- ‘schmecken, wahrnehmen’

1. sap-:
av. višāpa (*viš-sāpa) ‘dessen Säfte Gift sind’; arm. ham (*săpmo-) ‘Saft, Geschmack’;
lat. sapiō, -ere ‘schmecken, Geschmack haben; nach etwas riechen; weise sein, einsichtig sein’;sapa f. ‘Saft’, sapor ‘Geschmack, Leckerei’, nesapius, nesapus ‘ignorans’; osk. sipus ‘sciens’ (*sēpu̯ōs), volsk. sepu ‘sciente’ sind Neubildungen nach capio: cēpi; osk. Neuerung scheint lat.sibus ‘schlau’; mhd. be-seben st. V. ‘wahrnehmen’, aisl. sefi ‘Sinn’, as. seƀo, ags. sefa dss.; zu lat. sapa ‘Saft’ stellt sich germ. *safan- ‘Saft (der Baume)’: aisl. safi ‘Baumsaft’, norw. sevja ds., sabba ‘im Schlamm waten’, mnd. sabben ‘geifern’, sabbelen ‘sudeln’.
2. sab-:
Illyr. sabaium ‘Bier’, Sab- in vielen FlN Italiens, Sabātis (Campanien), Vada Sabatia (Ligurien) usw.; kelt. (ven.?) FlN Sabis (Belgien);
ags. sæp n. ‘Saft, Brühe’, mnd. sap(p), ahd. saf, sapf, nhd. Saft.

WP. II 450 f., WH. II 476 f., Pokorny Urillyr. 79, 97, 117.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal