Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beschuit - (bros, licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beschuit zn. ‘bros, licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe’
Mnl. bescotte, in die ghaleyd te legghen ‘scheepsbeschuit om de galei mee te bevoorrraden’ [1343-44; MNW], biscuut, buscuut [1384-1407; MNW]; vnnl. bisquyt, beschuyt ‘beschuit’ [1536-41; MNHWS].
De vormen met -uu-, -uy- zijn ontleend aan Oudfrans biscuit ‘beschuit, scheepsbeschuit’, ouder bescuit [ca. 1112; Rey], uit een middeleeuws Latijn *biscoctus ‘dubbelgebakken’, gevormd uit het bijwoord bis ‘tweemaal’, zie → bis, en coctus, verl.deelw. van coquere ‘koken, bakken’, zie → koken. Aangezien het een oud leenwoord is, wordt Frans /sk/ klankwettig Nederlands -sch-. Mnl. biscot(te) is rechtstreeks ontleend aan middeleeuws Latijn biscottum ‘scheepsbeschuit’, letterlijk ‘dat wat dubbelgebakken is’ [1218; Rey].
Vergelijkbaar zijn Nederlands (dialectisch) tweebak; Fries twibak; Duits Zwieback. De jongere vorm → biscuit ‘kaakje, koekje’ is een nieuwe ontlening aan Frans biscuit.
Lit.: Salverda de Grave 1906, 170

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beschuit [baksel] {biscoot 1343-1345} < frans biscuit (vgl. biscuit).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beschuit znw. v., mnl. bischuut < fra. biscuit < ofra. bescoit (waaruit mnl. bischoot, biscot) < lat. bis coctum ‘tweemaal gebakken’. — > de. beskøit. — Zie ook: biskwie.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beschuit znw., mnl. bischuut o., Kil. biscuit. Uit fr. biscuit. Mnl. bischoot, biscot uit ofr. bescoit (uit lat. bis coctum letterlijk “twee maal gebakken”). Uit het Ndl. de. beskøit.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

beschuit. Een veel jongere ontl. is biscuit, biskwie. Doordat de bet. is gedifferentieerd kunnen beschuit en biskwie zich naast elkaar handhaven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beschuit v. en o., uit Fr. biscuit, gevormd met bis (z. twee) en ’t v.d. van cuire, Lat. coquere = bakken (z. koken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

besjuut (zn.) beschuit; Middelnederlands bescotte <1343-1344> < Frans biscuit.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

mesjuut, zn.: beschuit. Door wisseling van de bilabialen b/m.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

beskuit s.nw.
1. Uitgedroogde gebak wat as lekkerny dien. 2. Fyn gebak in die vorm van 'n koekie.
In bet. 1 uit Ndl. beschuit (1641). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. beschuit uit Fr. biscuit 'iets wat twee keer gebak word'.
Eng. biscuit, Fr. biscotte. Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1868 in bet. 1).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

beschuit’ (de, -en), cracker. Ik schenk hem een hoeveelheid beschuiten om den ouden baas, die de twee vroegere expedities zoo goed heeft geholpen, eenigszins tevreden te stellen (Stahel 1927: 28). S&S 249: zoute beschuitjes = zoute crackers. - Etym.: AN beschuit = SN bollenbeschuit*. - Syn.: soda* (2), sodabeschuit*. Zie ook: broodbeschuit*, eierbeschuit*, polakbeschuit*.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

beschuit (Frans biscuit)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beschuit ‘baksel’ -> Fries beskút ‘tweemaal gebakken broodje’; Duits dialect Beschute, Beschuit, Beschüüt, Beschietje, Bescheid, Beschoid ‘baksel’; Deens beskøjt ‘baksel’; Noors beskøit, beskøyt ‘hard, gedroogd en ongezouten scheepsbrood’; Zuid-Afrikaans-Engels beskuit ‘baksel’ <via Afrikaans>; Noord-Sotho piskiti ‘baksel’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho basekeiti ‘baksel’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch beskuit, beskit ‘baksel; biscuitje’;? Atjehnees meuseukōt ‘biscuit, gebak’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis biskuit ‘koekjes’; Javaans beskuwit, besuwit ‘soort deegbaksel’; Madoerees bīskuwīt, biskwīt ‘koekjes’; Makassaars bîssikú, bâssikú ‘baksel’; Menadonees biskuit ‘koekjes’; Minangkabaus biskuit ‘baksel’; Soendanees biskuwit ‘baksel’; Creools-Portugees (Batavia) beschuit ‘baksel’; Singalees viskōtu, biskōtu, iskōtu ‘baksel’ (uit Nederlands of Portugees); Japans bisuketto ‘baksel’; Berbice-Nederlands buskiti ‘baksel’; Papiaments buskuchi ‘baksel’; Sranantongo buskutu ‘baksel, cracker’; Sarnami biskut ‘baksel’; Surinaams-Javaans beskutu ‘baksel, cracker’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beschuit baksel 1343-1345 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1573. Iemand een muilpeer geven,

d.w.z. iemand een slag in het gezicht geven; vroeger ook iemand muilperen, muilperizeeren (zie Ndl. Wdb. IX, 1207). In de Middeleeuwen was muilpeer in dezen zin bekend, blijkens Exc. Cron. 240 c: (Hi) greep den sot metten hare ende gaf hem oock een goede muilpeere; zie verder Kiliaen: Muyl-beere, muyl-peere, alapa; muyl-beeren t' eten gheven. Adag. pugnos ingerere; zie verder Trou m. Blycken, 211; Everaert, 45; Veelderh. Gen. Dichten, 125; Halma, 363: Muilpeer, klap voor den bek, en zeer veel andere plaatsen in de 17de en 18de eeuw. Andere dergelijke ironische benamingen zijn of waren: stocksuiker, kneppelkoek, kneukelsop, stockvisch (met boter), kapittelstokken, vuystamandele, een vuystplaester, kloppersboonen, backevisje, suyrekoock, vuystesweet, bokking, stroppeer (galg), pens (in pens eten, slaag krijgen), kropsalade (De Bo, 580), schimp-azijn, rottingolie, cnoockelpoeder, tangenbrood, mulenbier, kruidige worst, klompe krooning, ongebrande asch, ongesouten ael, schippers metworst (kabel), slagkoeken, telhout; enz. Thans zijn nog in gebruik: oorvijg, oorband (eig. een smalle doek die om het hoofd gebonden wordt, en zich verbreedt bij de ooren; men gebruikt dezen bij oorziekten); Jord. II, 121: iemand een oliekoek te likken geven; bij Schuerm. 461: iemand eene goede paté (fr. pâté) geven (Antw. Idiot. 943: iemand 'en patee om zijn ooren gevenIn Aardenburg partoet, oorveeg (Noord en Zuid II, 319).); iemand een patat (aardappel) zetten (Antw. Idiot. 942: iemand 'ne pataat om zijn ooren geven); een pees(tje) was een flensje, thans in zuidndl. een slag, klap (Ndl. Wdb. XII, 911; 904); iemand eene wafel op zijne kaak geven (vgl. Jord. 396; Joos, 90: 'nen wafel met vijf putten geven); bl. 463: iemand eenige peren om zijn ooren geven (ook bij De Bo); bl. 478: iemand eene piewante draaien of geven; bl. 480: pillen met de vuist slaan of pillen geven; bl. 817: hij kreeg een vlaaitje, - een appelplamei, - een smoutpeer, - een toppeer (Ons Volksleven IV, 33), een kneutelpeer (vgl. knoterpeer in Tijdschr. XXI, 89), grolpeer (Waasch Idiot. 268 a; 355 a); lange (of korte) haver (zweepslagen; Ndl. Wdb. VI, 148; V. Moerk. 15; Schuerm. Bijv. 115); bij Rutten, 110 a: de peerden kemp voeren; 311: iemand een pax-tecum geven; Schuerm. 684 a: stokmans haver; Joos, 107: haver uit de flesch of de mouw geven; iemand handgeld, voetgeld geven (Taal en Letteren II, 165): iemand zijn schuurwater geven, streng berispen (Waasch Idiot. 589); een zuur saus (over zijn patatten) krijgen (berispt worden; Antw. Idiot. 2179; Waasch Idiot. 770); iemand een mossel geven (Antw. Idiot. 835; iemand een sigaar geven (Eindhoven); vgl. verder nog iemand een beschuitje, een knabbelbeschuitje geven, of iemand beschuitjes voeren; fri. in ljirrebak jaen, een beschuit met rookvleesch geven, wat in Zuid-Nederland heet iemand een dreupelke schenken (Teirl. I, 366) en waarmede te vergelijken is een bakte (kniekitteling) kunnen verdragen (Teirl. I, 95Zie nog andere uitdrukkingen bij De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust, VIII, 22.); van de taart geven; iemand een peer geven (Claes, 181); en de uitdr. hoe smaakt je die peer, - die pruim (17de eeuw: hoe monden u die vijgen?); een streek of een veeg uit de pan geven (Winschooten, 245 en 299); iemand zijne koolkant (snede brood met kool) breiden (Tuerlinckx, 388); iemand eene botering (zie Antw. Idiot. 282), koeken (bl. 685), pale (pannekoek) geven (Loquela, 377), kerzen krijgen (Antw. Idiot. 641); stevens broot (steenen, steenigingTaal en Letteren IX, 547.), berkenstruivenTrou m. Bl. 58. geven; koek met bloem krijgen (Antw. Idiot. 1831); iemand salade geven (Volkskunde X, 18); een santekwant geven (Ndl. Wdb. XIV, 96); pruttelmous kriegen, bekeven worden (Molema, 556 a); kropsalade (verdriet; Waasch Idiot. 565; Schuerm. 301 b); iemand knoflook (Sewel), klompzak (Halma), geven; iemand een berkemot (peer) om zijne ooren geven (Antw. Idiot. 212); iemand een flens geven (Boekenoogen, 211); kneukelvet, - zeep (Waasch Idiot. 354 b) geven; Halma II, 371: muilschellen (vgl. hd. Maulschelle); fri. hy kriget rizenbrij (van berkenrijs) mei hjitte poffen of mei bret flêsk, hij wordt gegeeseld en gebrandmerkt; immen in brouwing, ribbesmoar mei pynoalje, toffelsmots (pak slaag met een pantoffel) jaen; enz. In Groningen: iemand 'n bukken zunder groat, 'n peer, 'n petoater geven (Molema, 61 b; 465 b; 533 a). In het Fransch kent men: manger des poires d'angoisse, subir de creuls traitements; eng. to get beans (een standje). Vgl. voor het hd. Maulbeere en verder Schrader, 503 vlgg.; Korrespbl. XXXIV, 9; Seiler, 172 vlgg.; zie verder Nyrop, 26-27; Van Helten, Proeven van Woordverklaring, 7, en zie no. 1234.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal