Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beroerte - (herseninfarct)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Ziekteverwekkende demonen

In het verleden schreef men het optreden van ziekten en kwalen toe aan demonen en boze geesten. Zo verhaalt de Griekse bard Homerus dat de oorlogsgod Apollo door het afschieten van pestpijlen een pestepidemie over het Griekse leger bracht. In verschillende bijbelpassages slaat God of de duivel de mensen voor straf met ziektes. In Lucas 13:11 is bijvoorbeeld sprake van “een vrouw die al achttien jaar bezeten was door een geest die haar ziek maakte”. Een krankzinnige heette al aan het eind van de dertiende eeuw bezeten; mettin viant beseten wil zeggen: ‘door de duivel bezeten’. Ook in andere ziektenamen zien we een oud geloof in ziekteverwekkende demonen terug.

Spit
Een onverwachte heftige pijn in de rug heet al sinds 1567 spit. Een spit is eigenlijk een puntige ijzeren staaf. De ziektenaam verwijst naar de oude mythische voorstelling dat de pijn veroorzaakt wordt door de steek van een kwaadaardig wezen, een heks of demon: de pijn voelt aan alsof een onzichtbaar wezen onverwacht met een spit in iemands rug steekt. Een vergelijkbare benaming is zweepslag. En denk ook aan de man met de hamer.
In Nederlandse dialecten wordt spit ook wel heksenschot, heksenscheut, lendeschot of kortweg schot genoemd. De verbreiding van de dialectnamen is te zien op het kaartje op deze bladzijde, afkomstig uit het boek Ziektenamen in de Nederlandse dialecten van dialectoloog A. Weijnen (1995). De Engelse benaming elf-shot, letterlijk ‘elfenschot’, de Duitse naam Hexenschuß (‘heksenschot’) en de Noorse namen hekseskot (‘heksenschot’), trollskot (‘trollenschot’) en alvskot (‘elvenschot’) bewijzen dat de demonische oorsprong van spit al dateert uit de tijd van de Germanen.
De namen scheut (van pijn) en steek (in de zij) gaan terug op het hetzelfde geloof in boze wezens die de mens pijn berokkenen. Scheut is een afleiding van het werkwoord schieten, en steek komt natuurlijk van steken, net als het Duitse equivalent Stich. Het Engelse stab (‘pijnscheut’) is afgeleid van een ander werkwoord, maar vertoont dezelfde betekenisontwikkeling.

Beroerte
Met beroerte duidt men een herseninfarct aan, een plotselinge toeval of verlamming, veroorzaakt door een bloeduitstorting in de hersenen. In deze betekenis is het woord voor het eerst in 1667 vermeld. Het woord beroerte bestond al in de Middeleeuwen, maar toen had het een ruimere betekenis, namelijk ‘onlust, oproer’ – denk aan de naam van het beroemde gerechtshof van Alva: de Raad van Beroerten.
De ziektenaam beroerte is afgeleid van beroeren (‘aanraken’), en bewijst dat men in het verleden veronderstelde dat een beroerte ontstond als gevolg van de aanraking door een demon. Dit geloof blijkt ook uit verschillende dialectbenamingen voor de ziekte, zoals geraaktheid, en beslag, sjlaag en geslegenheid. De laatste drie woorden zijn afleidingen van slaan en geven dus het geloof weer dat de ziekte optreedt door een slag of klap van een hogere macht. “Dese ziekte wordt by ons (...) Apoplexie, Beroertheydt, oft Godts-handt, ghenaamt”, vermeldt de letterkundige Jacobus Viverius in 1665.
In plaats van beroerte wordt sinds het einde van de negentiende eeuw in het Nederlands ook het Franse leenwoord attaque gebruikt, dat letterlijk ‘aanval’ betekent. Kennelijk zagen de Fransen in de ziekte het optreden – een aanval – van een demon. In Nederlandse dialecten is het leenwoord attaque verkort tot aantak of tak (ook komt voor: tak van een beroerte).

Aanval
Ook het Nederlands kent het metaforische gebruik van aanval voor een plotseling opkomende, kortdurende aandoening: een aanval van koorts (of kiespijn, jicht of griep). Het idee dat een ziektedemon de mens aanvalt of overvalt, is al te vinden bij de Grieken. De Griekse ‘vader der geneeskunde’ Hippocrates gebruikt de term epilèmptikos voor ‘aan vallende ziekte lijdend’; Aristoteles spreekt van epilèptikos. Beide vormen zijn afgeleid van het Griekse werkwoord epilambanein, dat onder andere ‘aanvallen’ betekent. De Griekse naam is al eind dertiende eeuw in het Nederlands overgenomen: “Want si een kint in haren dagen Vercregen hadde (…) Dat met epilemsien was” (‘Want zij had een kind gekregen dat aan epilepsie leed’).

Griep
Demonen toonden hun krachten op verschillende manieren: niet alleen door mensen te schieten of te steken, aan te raken of aan te vallen, maar ook door hen vast te pakken of te vangen. Het Franse grippe, dat we in de negentiende eeuw als griep hebben geleend, is afgeleid van het werkwoord gripper, dat vroeger de betekenis ‘grijpen’ had, en tegenwoordig ‘blokkeren, doen vastlopen’ en van stof ‘doen plooien’ betekent.
Een synoniem voor grijpen is vangen. Dit vinden we in het werkwoord bevangen ‘overmeesterd worden door een ziekelijke aandoening’. Tegenwoordig zijn het vooral duizelingen die mensen bevangen, maar vroeger zei men ook: een hoest (of ziekte) beving hem. In Vlaamse dialecten spreekt men nog van vang en hartvang voor ‘hartinfarct’ of ‘angina pectoris’.
Het moge duidelijk zijn: hoewel de medische kennis inmiddels fors is toegenomen, zijn de sporen van het oude volksgeloof in de Nederlandse ziektebenamingen nog volop aanwezig.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2013), ‘Demonische ziekten’, in: Onze Taal 7/8, 208.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beroerte zn. ‘herseninfarct’
Mnl. beroerte ‘oploop, oproer’ [ca. 1350-1410; MNW], ‘beroering, gemoedsaandoening’ [1413; MNHWS], ‘beweging’ [1466; MNHWS]; vnnl. beroerte ‘herseninfarct’ [1667; WNT], naast ouder beroertenisse ‘verlamming’ [1567; Nomenclator].
Afleiding met het achtervoegsel → -te van het Middelnederlandse werkwoord beroeren ‘aanzetten, aandrijven’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘aanraken, bewegen’, ‘aanraken’, afleiding met → be- van het werkwoord → roeren ‘aanraken’; zie ook → beroerd.
Mnd. berorte ‘beweging, beroering, opwinding’; ohd. bi(h)ruōrida ‘aanraking, beroering’; nfri. beroerte (naast oerhaal, set).
beroering zn. ‘onrust, opschudding, onlusten’. Mnl. beroeringe, berueringe ‘aanraking, (gemoeds)beweging’ [14e eeuw; MNW]; vnnl. beroering ‘beroerte, verlamming’ [1615; WNT], ‘onrust, troebelen’ [1688; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -ing van het werkwoord beroeren. Tot in de 17e eeuw waren beroerte en beroering vrijwel synoniem; daarna ontstond door betekenisversmalling een groter semantisch onderscheid. De beruchte Raad van Beroerten, in 1567 door Alva ingesteld, dankt zijn naam aan de Middelnederlandse betekenis ‘onrust, oploop, oproer’: Alva probeerde immers de gistende situatie d.m.v. van wrede vonnissen in de hand te houden. Ook Fries beroering.

EWN: beroerte zn. 'herseninfarct' (ca. 1350-1410*)
ANTEDATERING: Die altoos om beroerte poocht 'die altijd uit is op beroering' [1350-1400; MNW-R]
{* De datering van de eerste attestatie in het EWN moet gewijzigd worden in: [1380-1425; iMNW].}
EWN: ♦ beroering zn. 'onrust, opschudding, onlusten' (14e eeuw)
ANTEDATERING: Twe beruringen 'twee bewegingen (van het innerlijk leven)' [1270-90; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beroerte* [rustverstoring, verlamming door bloeduitstorting in de hersenen] {1380-1385 in de betekenis ‘oproer, verbijstering, gemoedsaandoening’; als medische term 1667} van roeren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beroerte znw. v., mnl. beroerte ‘oploop, ontsteltenis, bewogen worden’, mnd. berōrte ‘aanraking, beweging, opwekking’, ohd. bihrōrida ‘aanraking, beroering’. — Zie: roeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beroerte znw., mnl. reeds beroerte v. met de bett. “oploop, ontsteltenis, het bewogen woren”. In de laatste bet. ook beroerde. Dit is de oudere vorm = ohd. bihrôrida “aanraking, beroering”. Mnd. reeds berôrte “aanraking, beweging, opwekking”. Zie bij beurt.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs, in: Medisch Contact 60 (2005)

Beroerte
Met beroerte duidt men een herseninfarct aan, een plotselinge toeval of verlamming, veroorzaakt door een bloeduitstorting in de hersenen. In deze betekenis is het woord voor het eerst in 1667 vermeld. Het woord beroerte bestond al in de Middeleeuwen, maar toen had het een ruimere betekenis, namelijk ‘onlust, oproer’ - denk aan de naam van het beroemde gerechtshof van Alva: de Raad van Beroerten.
De ziektenaam beroerte is afgeleid van beroeren ‘aanraken’. In het verleden veronderstelde men dat iemand een beroerte kreeg als gevolg van de aanraking van een demon, waardoor men werd behekst. Dit geloof blijkt ook uit verschillende dialectbenamingen voor dezelfde ziekte, zoals geraaktheid en beslag, sjlaag, geslegenheid - de laatste drie woorden zijn afleidingen van slaan en geven dus het geloof weer dat de ziekte optreedt door een slag of klap van een demon.
In plaats van beroerte gebruikt men sinds 1895 ook wel het Franse leenwoord attaque, letterlijk ‘aanval’: ook de Fransen zagen in de ziekte dus het optreden - een aanval - van een demon. In Nederlandse dialecten werd het vreemde woord attaque verkort tot tak (van een beroerte).
[Nicoline van der Sijs (2005), ‘Beroerte’, in Medisch Contact, jaargang 60, nr. 38, 1524]

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

beroerte . De letterlijke betekenis van beroerte is ‘plotseling optredende stoornis in de hersenen, hersenbloeding, hersenembolie of hersentrombose’. Die betekenis is afgezwakt in de West-Brabantse verwensing krijg voor mijn part op slag een beroerte! De emotionele betekenis ervan duidt op minachting en kan weergegeven worden met ‘rot op’. → rolberoerte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beroerte ‘verlamming door bloeduitstorting in de hersenen’ -> Fries beroerte ‘verlamming door bloeduitstorting in de hersenen’; Duits dialect Beruurte ‘onmacht, verlamming door bloeduitstorting in de hersenen’; Indonesisch † beroerte, berurte ‘verlamming door bloeduitstorting in de hersenen’; Sranantongo brurtu ‘verlamming door bloeduitstorting in de hersenen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beroerte* verlamming door bloeduitstorting in de hersenen 1667 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal