Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beroerling - (gemeen persoon)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

beroerling: gemeen persoon; ellendeling. Ontstaan uit beroerderling, dat gevormd werd van het bijvoeglijk naamwoord ‘beroerd’. Een verouderd scheldwoord is (lelijke) apenberoerling.

Ik zal dien beroerling nog eens van de kroeg donderen! (Johannes Kneppelhout, Studenten-typen, 1839-1841)
Jullie zijn toch eigenlek allemaal beroerlingen; nou sta je d’r vlak met je snotkoker bij en je ziet niet eens, dat de kribben in je escouade niet gericht zijn. (L. H. Drabbe, Het dappere Hollandsche leger. 3e druk, 1904)
Ik mag lijen dat je gauw ligt te rotten in je graf, beroerling. (Johan Fabricius, Nacht zonder zegen, 1955)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal