Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

berm - (grasstrook langs de weg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

berm zn. ‘grasstrook langs de weg’
Mnl. baerme (datief) ‘hoogte’ [1288; CG I, 1297], baerm(en) ‘hoogten, heuvels’ [1389; MNW]; vnnl. baermen ‘hoogten, heuvels’ [ca. 1500; WNT barm I], baerm, barm, berm ‘hoop aarde, heuvel’ [1599; Kil.]; nnl. barm ‘vlakke strook langs dijk of weg’ [1770; WNT barm I].
Mnd. barm, berme ‘hoop aarde; voet van de dijk met geringe helling’ (Nedersaksisch barm, bärm ‘voet van de dijk’); nfri. barm, berm; on. barmr ‘rand’; < pgm. *barma- ‘rand’.
De grondbetekenis zal ‘rand, (verhoogde) strook grond’ zijn. De vormen worden teruggevoerd op pie. *bherm- ‘uitspringen, een spits of rand vormen’ en *bhorm- (waaruit de Oudnoordse en Nederduitse vormen) (IEW 142). Mogelijk verwant hiermee (met verspringing van de vocaal) zijn → braam 1, → brem en misschien ook het alleen in het Nederlands voorkomende → braam 2 ‘ruw, scherp, omgekruld randje dat bijv. ontstaat bij het slijpen van messen of schaatsen’. Het geheel maakt echter een niet-Indo-Europese indruk; gezien de geringe verbreiding en het betekenisveld is dit wrsch. een substraatwoord.
De vorm berm is ontstaan door -a- > -e- voor -r- + labiaal en wordt in 1898 door het WNT nog een bijvorm genoemd.
Frans berme ‘strook grond tussen gracht en bolwerk of wal’ [1611] is ontleend aan mnl. berm ‘talud, rand van een dijk’. Engels berm ‘versterking, richel’ is ontleend aan de Franse vorm.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

berm* [strook langs weg] {barm 1288} verwant met oudnoors barmr [rand], etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

berm znw. m., mnl. berm, barm ‘berm, voetpad’; de vorm met e is uit a ontstaan voor r + lab. (vgl. derven), vgl. mnd. barm ‘berm van een dijk’ (daarnaast ook berme > nhd. deichberme), on. barmr ‘rand’. — > fra. berme ‘rand der vestinggracht’ (sedert de 17de eeuw; Valkhoff 59). — Zie: braam 2.

Men verbindt dit woord gewoonlijk met een idg. wt. *bherem ‘uitsteken, een punt of kant vormen’ (IEW 142), waartoe dan ook braam 1 behoort, maar eerder is aan te knopen aan *bher ‘slaan’ (zie: boren) en dan zou men moeten uitgaan van de betekenis van ‘plat slaan’ (AEW 27). — Homoniemen zijn: os. ohd. barm, got. barms, ‘schoot’ waarvoor zie: baren en mnl. barm ‘golf’ dat men stelt bij baar 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

berm znw., mnl. barm, baerm m. “berm, voetpad”. De e is in een deel van het nld. gebied uit a ontstaan vóór r + lab. (zie derven), elders komt nog barm voor. = mnd. barm m. (waarnaast berme v. > nhd. deichberme) “berm van een dijk”. Fr. berme “walrand” is ontleend. De ndl. dial. bet. “heuvel” is niet de oudste, blijkens on. barmr m. “rand”. Het woord is verwant met ndl. braam “draad (van een mes)”, mnl. brēmen “boorden, omzoomen”, Kil. breme, bremel “fimbra, instita, limbus” (“vetus”), laat-mhd. brëm o. “rand, zoom” (nhd. brame, bräme v. “zoom, bosch-, weiderand”), mnd. brēmen “boorden, zoomen”, eng. brim “rand”. Deze vormen, die, als ze alle oud zijn, een idg. basis bherem- veronderstellen, zijn hoogerop verwant met de bij baron en boren besproken woordengroep. Voor de bet. vgl. ags. breard, breord “rand”, dat bij barsten vermeld is; de bet. “rand” gaat op “afsnijding, besnijding” terug. Een geheel ander woord is ohd. os. barm m. “schoot”, ags. bearm m. “id.”, ode. barm “moederschoot”, got. barms m. “schoot, borst”, dat bij den wortel bher- “dragen” hoort (zie baren) en formeel overeenstemt met gr. phormós “draagkorf”; vgl. nog met –men-formans gr. phérma “het gedragene, vrucht van den moederschoot”, obg. brěmę “last”, oi. bhárman- “het dragen, de last”. Mnl. oudnnl. barm “golf” zal wel verwant zijn met baar II; of isʼt wellicht = “de bruisende” en identisch met mnd. barm m. “gist, droesem” (zie beer IV; addendum aldaar: os. andbermian “defaecare”)?

[Aanvullingen en Verbeteringen] berm. Obg. brémę is om ’t stijgende accent (russ. berémja, čech. břímě, serv. brȅme) meer direct met oi. bhárîman- “onderhoud” dan met bhárman-, gr. phérma te combineeren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

berm. Er zijn meermalen pogingen gedaan om het woord ohd. os. barm, ags. bearm ‘schoot’ enz., dat v. Wijk als „een geheel ander woord’ qualificeert, met berm te verenigen. Laatstelijk is dit geschied door Güntert WuS. 11, 139 vlg., die zich de bet.-ontw. aldus voorstelt: ‘moederschoot’ > ‘schoot’ > ‘flank, kant’ (vgl. zijde I Suppl.). Hoewel een dergelijk verloop niet zonder parallellen is, verdient het toch de voorkeur, de twee woorden uiteen te houden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

berm m. (walrand), Mnl. barem, barm + Ndd. berme, barm, On. barmr = walrand; verwant met braam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

berm (de, -en), 1. middenberm. - 2. lage ophoging waarop een huis gebouwd is. We komen er dagelijks langs, kennen dat houten bruggetje, drie huizen verder, schoppen tegen de berm van rood zand en groen gras, plukken een takje stanvaste*, of rijden met onze fiets achteloos over kottomissies* en pingpings* (C. Ooft 88). - Etym.: AN b. = ongeplaveide, verhoogde strook grond langs een weg, in SN genoemd trottoir*. In veroud. AN verhoging van grond i.h.a., dus ook SN bet. 2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

berm ‘strook langs de weg’ -> Fries berm ‘strook langs de weg’; Engels berm ‘strook grond of pad langs een gracht’ <via Frans>; Duits Berme ‘strook grond of pad langs een gracht’ <via Frans>; Deens berme ‘strook langs de weg, wal of dijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors berme ‘(militair) smalle (horizontale) strook onder aan de vestingwal; smalle strook aan binnenkant borstwering, 30 cm onder de vuurlijn, als steun voor de ellebogen van de schutter en opslagplaats voor zijn patronen’ <via Frans>; Zweeds bärm ‘strook langs weg, spoor of kanaal’; Frans berme ‘strook grond of pad langs een gracht’; Italiaans berma ‘strook grond of pad langs een gracht’ <via Frans>; Tsjechisch berma ‘strook grond langs greppel of kanaal’ <via Frans>; Kroatisch berma ‘strook land langs een wal’ <via Frans>; Servisch berma ‘strook langs een dijk of een kanaal’ <via Frans>; Sloveens berma ‘strook grond langs de dijk van een rivier of een kanaal bedoeld als bescherming tegen overstroming’ <via Frans>; Bulgaars berma ‘strook langs een dijk of kanaal die zorgt voor stevigheid en dient als pad’ <via Frans>; Lets berma ‘strook langs een dijk of kanaal die zorgt voor stevigheid’ <via Duits>; Litouws berma ‘horizontale strook grond langs de aardebaan van een weg, spoorweg, dijk of borstwering’ <via Duits>; Esperanto bermo ‘smal voetpad naast greppel, kanaal, weg of spoorbaan’ <via Frans>; Indonesisch bérem, béreman ‘strook langs de weg’; Javaans bèrem ‘strook langs de weg’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

berm* strook langs weg 1288 [CG I2, 1297]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bherem-1 ‘hervorstehen, eine Spitze oder Kante bilden; Kante, Spitze’?

bhorm-:
Aisl. barmr ‘Rand, Saum’, ey-barmr ‘ora insulae’, norw. dial. barm ‘Kante, Bräme’ (z. B. am Segel), ndd. barm, berme ‘die sanfte Abdachung des Deichfußes, Wallrand’.
bhrem-: bhrom- :
Vielleicht lat. frōns, frondis f. ‘Laub’ (*bhrom-di-, wie glāns aus *glan-di-);
an. brum n. ‘Blattknospen’, ahd. brom, brum ds., schweiz. brom ‘Blütenknospe, junger Zweig’, ablaut. brāme ds.
Auf eine Grundbed. ‘borstig, Dorn’ gehen zurück: ags. brōm m. ‘Ginster’ (*bhrēmo-), mnd. brām ‘Brombeerstrauch, Ginster’, ahd. brāmo m., brāma f. ‘Dornstrauch, Brombeerstrauch’, brāmberi, nhd. Brombeere, ags. brēmel, engl. bramble (urgerm. *brāmil), ablaut. mnl. bremme, ahd. brimma ‘Ginster’ und mnd. brēme, brumme ds.
Mit der Bed. ‘Kante, Rand’: mhd. brëm n. ‘Einfassung, Rand’, nhd. verbrämen, ablautend mengl. brimme, engl. brim ‘Rand’.

WP. II 102.

bher-2 etwa ‘aufwallen’, von quellendem oder siedendem Wasser (auch vom Aufbrausen beim Gähren, Kochen, sowie vom Feuer) ‘sich heftig bewegen’, oft mit m-Formans; auch als schwere Basis bherǝ- : bhr̥̄-, bh(e)rēi-, bh(e)rī̆-. Vgl. bher-6.

Ai. bhuráti (*bhr̥̄-é-ti) ‘bewegt sich, zuckt, zappelt, Intens. jár-bhurīti ds.; auch: ‘züngelt, vom Feuer’; bhuraṇyáti ‘zuckt, ist unruhig; setzt in heftige Bewegung, rührt um, rührt auf;’ mit m-Formans ai. bhramati, bhrāmyati ‘irrt umher, dreht sich herum’, bhramá-ḥ ‘wirbelnde Flamme, Strudel’, bhŕ̥mi-ḥ ‘beweglich; Wirbelwind’ (s. unten aisl. brimi usw.); bhū́rṇi-ḥ ‘heftig, zornig, wild, eifrig’, dürfte als *bhr̥̄ni- ebenfalls auf der schweren Basis beruhen;
hierher wohl av. avabaraiti ‘strömt herab’, uzbarǝnte ‘sie strömen hervor (?)’, barǝnti ayąn ‘an einem Tag, wo es stürmt’.
Aus dem Gr. πορφύ̄ρω (*πορφυρι̯(ω) ‘walle auf, woge auf, bin in unruhiger Bewegung’ (: ai. járbhurīti); vermutlich auch φύ̄ρω ‘vermenge, bringe durcheinander’ (wenn ursprgl. vom Durcheinanderrühren beim Kochen; Gdf. *bhori̯ō mit durch den Labial bedingter u-Färbung des Reduktionsvokales), wozu φύρδην ‘durcheinander’, φυρμός ‘Verwirrung’, φυράω ‘mische, rühre durcheinander, knete, verwirre’.
Über lig. und ven. Namen s. unten.
Alb. burmë ‘vollreif’ (*gargekocht) aus *bhormo-.
Aus dem Lat. wahrscheinlich fretum und fretus, -ūs ‘Wallung des Meeres, bes. Meerenge; Brausen, Wallen, Hitze’, fretāle ‘Bratpfanne’;
fermentum ‘Gärungsstoff, Sauerteig’ (: ags. beorma, engl. barm, nd. barme, woraus nhd. Burme ‘Bierhefe’); auch fervēre S. 144;
Air. topur, nir. tobar ‘Quelle’ (*to-uks-boro-), mir. commar = cymr. cymmer ‘Zusammenfluß’ (*kom-bero-); lig. FlN Comberanea; mir. fobar ‘Quelle, unterirdischer Bach’ = cymr. gofer ‘Bach’, bret. gouver ds. (*u[p]o-bero-), cymr. beru ‘träufeln’, mbret. beraff ‘fließen’, gall. FlN Voberā, frz. Woevre, Voivre usw.; mit m-Formans kelto-lig. aquae Bormiae, GN Bormō, hisp. ON Bormāte, FlN Borma, dak. ON Βόρμανον, ven. FlN Formiō (aber gall. GN Borvō gehört zu bhereu- ‘wallen’). Über mir. brēo ‘Flamme’ s. unten.
Ags. beorma m. usw. (s. oben); von einer Wzf. *bh(e)rē- : bh(e)rō-: ahd. brādam m. ‘Hauch, Hitze’, mhd. brādem ‘Dunst’, nhd. Brodem, ags. brǣð ‘Dunst, Hauch, Wind’ (engl. breath), aisl.brāðr ‘hitzig, hastig’, brāð ‘beteertes Holz’, brāðna ‘schmelzen’, intrans., ahd. brātan, ags. brǣdan ‘braten’; ablaut. mnd. bröien ‘sengen, brüten’, mhd. brüejen, brüen, nhd. brühen, ags. brōd f., engl. brood ‘Brut, Zucht’; mhd. bruot f. ‘Hitze, Brut’, ahd. bruoten ‘brüten’; unbekannter Herkunft sind ahd. brāto m. ‘weiches eßbares Fleisch’ (Braten erst seit mhd. Zeit zu ‘gebratenes Fleisch’ umgedeutet), nhd. Wildpret, anord. brādo ‘Wade’, spätlat. entlehnt brādo ‘Schinken’, ags. brǣde m., aisl. brāð ‘rohes Fleisch’.
Neben der sehr fruchtbaren Wzf. bhereu- (s. dort) ist wohl auch bh(e)rē̆i-, bh(e)rī̆- anzuerkennen. Auf diese kann bezogen werden ai. jar-bhurī-ti, gr. *φυρι̯-ω, *πορφυρι̯-ω (s. oben); mit m-Formantien vermutlich gr. φριμάω, φριμάσσομαι ‘bewege mich unruhig, springe, schnaube’; aisl. brimi ‘Feuer’; mengl. brim ‘Glut’, wahrscheinlich auch aisl. brim n. ‘Brandung’, ags. brim n. ‘Meer, See’; die in brühen, Brodem, braten vorliegende Bedeutungsfärbung kehrt wieder in norw. prim ‘eine Art aus saurem Molken unter starkem Kochen bereiteter Käse’ (auch nhd. Brimsenkäse), mdartl. auch brīm ‘ds.; auch Kruste, Bodensatz einer eingekochten Flüssigkeit’ (nhd. bair. Brimsen, Brinzen ‘was sich beim Mus angebräunt an der Pfanne festsetzt’); daneben mit formantischem -u̯o- sehr wahrscheinlich ahd. brīo, mhd. brī(e), ags. brīw ‘Brei’ (als ‘*Sud, Gekochtes’), briwan ‘kochen’; hierzu auch mir. brēo ‘Flamme’ (*bhri-u̯o-).
Eine s-Erw. vielleicht in ai. bhrḗṣati ‘wankt, schwankt’, norw. mdartl. brīsa ‘anfflackern, glänzen, prangen; Feuer anmachen’, brīs ‘Feuer, Flamme’, brisk ‘lebhaft, munter’.

WP. II 157 f., WH. I 482 f., 546, 865.Vgl. die verwandten Wurzelformen bhereg- ‘kochen’, bhereu- ‘wallen’, bhreus- ‘schwellen’, bhrīg-, bhrūg- ‘kochen, braten’

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal