Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

benul - (besef)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

benul zn. ‘besef’
Vnnl. belul ‘bewustzijn, besef; verstand’ [1605-15; WNT], dat zy, bezwaart van drank en vaak, luttel beluls ... hadden ‘dat zij, overmand door drank en slaap, weinig bewustzijn hadden’ [1642-45; WNT]; nnl. benul [1862; WNT beslenteren]. Ook tegenwoordig nog naast elkaar dial. benul en belul.
Gevormd uit het voorvoegsel → be- met een onbekend tweede element. Verwant is misschien nnd. benüll ‘vrolijkheid’, deze betekenis herinnert aan die van Nederlands → lol. Daarnaast kan men denken aan verband met → lallen, → lullen, lollen ‘onsamenhangend praten’.

EWN: benul zn. 'besef'; de vorm benul (1862)
ANTEDATERING: He het so veel benul als ene olde Ko 'hij heeft zoveel verstand als een oude koe' (Nedersaksisch spreekwoord) [1803; Lublink, 218]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

belul* [bevatting] {1612} oudere vorm naast benul; etymologie onzeker.

benul* [begrip] {1862} jongere vorm naast belul.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

benul znw. o., dial. benul en belul, fri. bilul, binul ‘bewustheid’, ook nnd. benüll ‘vrolijkheid’. In de 17de eeuw komt alleen de vorm belul voor, zodat wij van deze moeten uitgaan. De afleiding is moeilijk aan te geven. Verband met lol is niet aannemelijk, ook niet in de zin van ‘toon, melodie’. Hooft zegt van dronken mensen, dat zij geen belul hebben; zou het kunnen samenhangen met de ww. lullen, lallen ‘onsamenhangend praten’?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

benul znw. o., dial. belul en benul, fri. bilul, binul “bewustheid”. Bij oudere schrijvers (17de eeuw) komt alleen belul voor, zoodat benul, oostfri. benül “bewustheid”, ndd. benüll “vroolijkheid” wel jongere vormen zullen zijn. Oorprong onbekend. Misschien een — oorspronkelijk schertsende — formatie bij oudnnl. lol, lul “melodie”. Zie lol.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

benul v. (begrip), vervorming van een ouder vorm belul, stam van belullen = bepraten, overtuigen, gevormd met lullen (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

belöl, benöl (zn.) begrip; Nuinederlands belul <1605-1615>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

benul s.nw.
Begrip, besef.
Uit Ndl. benul (1642), wat wsk. ontstaan het uit belul 'benul', maar die herkoms is verder onseker.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

benul* begrip 1862 [WNT beslenteren]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

203. Geen (flauw) benul hebben van iets,

d.w.z. geen begrip van iets hebben, geen grint van iets hebben, zooals in de Zaanstreek gehoord wordt; vandaar: een onbenul of onbenullig zijn, onbeteekenend, niets waardig zijn. Vroeger zeide men niet ‘benul’, maar belul hebben, welks afleiding nog niet voldoende verklaard is.Zie Franck - v. Wijk, 49. Bij Weiland staat het nog niet opgeteekend, en nog in het midden dezer eeuw gold de oude vorm, blijkens het welbekende gedichtje uit ‘Braga’: ‘Tu habes nullum ναι nullum belullum, nullum belullum de artibus’. Zie het Ndl. Wdb. II, 1809; Lvl. 245; Falkl. VI, 35; Harreb. I, 46 b; Ten Doornk. Koolman I, 147 a; Eckart, 42; Molema, 29 a; Gallée, 4 b; V. Schothorst, 104; Bruijel, 93; Gunnink, 106 en Taalgids I, 105, waar als Noordholl. wordt opgegeven: hij is zijn belul kwijt; hij heeft er geen belul van; fri. hy hie gjin bilul (of binul, bewustheid) mear. Vgl. ook hij was heelemaal van zijn benulZondagsblad van Het Volk, 8 Febr. 1913.; het benul missen om iets te doen (Jord. 175); zonder benul zijn (Lvl. 313); slijtage aan 't benul.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal