Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

benta - (tokkelinstrument)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S. Joubert en N. van der Sijs (2020), ‘Antilliaans-Nederlandse woorden en hun herkomst’, in: Trefwoord, november 2020

benta (GB) muziekinstrument in de vorm van een boog met één snaar; ontleend aan Papiaments benta, waarschijnlijk van Afrikaanse herkomst, komt onder deze naam ook voor in Suriname (Sranantongo benta) en Jamaïca (Kramer 2015). Zie ook seú.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ben’ta (de, -’s), 1. tokkelinstrument bestaande uit een met snaren bespannen kalebas* (3), in gebr. bij Creolen* (3). Soms wordt bovendien nog de ingi-pokoe [S, Indiaanse trom], muziek op koperen blaasinstrumenten, en bij minder religieuze gelegenheden ook een tokkel-instrument, de benta, aan het orkestje toegevoegd (Helman 1977: 364). - 2. muziekinstrument bestaande uit vier platte, lange stukken hout op een houten klankbodem bevestigd en op een bepaalde toon afgestemd door het onderschuiven van blokjes hout; bij Bosnegers*. Zie Enc.Sur. 91. - 3. (hist.) muziekinstrument bestaande uit een boog waarvan de snaar meer of minder aangetrokken werd met de tanden en aangeslagen met een stokje; bij Bosnegers*. Zie Stedman 1796: 377.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal