Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bende - (troep)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bende zn. ‘troep’
Mnl. bende ‘bende, vereniging’ [MNHW]; vnnl. bende ‘troep, groep’ [1525; WNT], bende [1546; Naembouck], bende = bande ‘peloton ruiters, zwerm’ [1599; Kil.], bende ‘troep soldaten’ [ca. 1525; WNT], ‘gezelschap’ [ca. 1600; WNT]; nnl. (alleen NN) ‘rommel’ [1951; WNT troep]. Met weggevallen slot-e (bend [1698; WNT]) en verscherping van de slotklank ook in de vorm bent, en dan meestal in de specifieke betekenis ‘genootschap van kunstenaars, dichters, etc.’, met negatieve bijklank.
Ontleend aan Oudfrans bande ‘(onder een vaandel verenigde) troep (soldaten)’ [12e eeuw]; ook Italiaans banda ‘id.’. Beide woorden gaan terug op middeleeuws Latijn bandum ‘vaandel’, zie → band 1, en ook → banier.
Oorspr. werd er dus het herkenningsteken van een groep mee aangeduid; later duidde het op de groep zelf. Een jongere ontlening van hetzelfde woord, maar dan via het Engels, is → band 2.

EWN: bende zn. 'troep' (z.j.)
ANTEDATERING: Koninc vander Vranscher bende 'koning van het Franse leger' [1521; iWNT verzeeren I]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bende [troep] {1410 in de betekenis ‘band, streep’} < frans bande, italiaans banda [idem] < middeleeuws latijn bandum [banier], uit het germ., vgl. band2; de oorspr. betekenis is ‘afdeling onder een vaandel, geregelde troepen’, vgl. middelnederlands bende van ordinanciën (vgl. bent1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bende znw. v., mnl. (laat) bende ‘troep, bende’ < fra. bande < ital. banda. Het ital. woord betekent ook ‘vaandel’ en dit is te verbinden met longob. bandum ‘vaandel’, een oorspr. germ. woord, dat ‘teken’ betekent, vgl. got. bandwa ‘teken’ en zie verder: bannier.

De e-klank is bevreemdend, hij komt op sedert het eind der 15de eeuw; invloed van het mhd. mv. bände is niet waarsch. (FW 48). — Een verkorte vorm is bent, dat nu gebruikt wordt in de betekenis van ‘groep van kunstenaars’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bende znw. In de bet. “troep” sedert ’t eind van de M.E. Vgl. ook Kil. “bende, j. bande. Turma”. Evenals nhd. bande v. (waaruit de. bande), eng. band, zw. band “troep” van fr. bande en dit van it. banda “troep”. Deze bet. gaat terug op “vaandel”. De rom. woorden zijn van germ. oorsprong, vgl. langob. bandum “vaandel” en zie verder bij baanderheer. Opvallend is de e van ’t ndl. woord, die sedert het eind van de 15de eeuw voorkomt. Het 16de-eeuwsche hd. mv. bände “troepen” zal wel niet zóó algemeen gebruikelijk geweest zijn, dat het in het Nederlandsch werd overgenomen; ook is ’t wellicht niet zoo oud. De bet. van mnl., oudnnl. bende “band, boei, streep, (heraldisch:) rechterschuinbalk” ligt zoover af, dat wij ook hiervan geen invloed mogen aannemen; dit woord (= ofri. bende; zie band) bestaat nog in wvla. bend(e) “baan (van goed)”. Uit bende is bent ontstaan, evenals end (uitspraak: ent) uit e(i)nde. Bent en bende hebben zich, wat de bet. aangaat, gedifferentieerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bende v., Mnl. bende, bande, uit Fr. bande, van It. banda = vaandel, troep (z. banier).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bende: groep, trop (in gunstige en ongunstige toep.); in bet. “orkes” (veral groep Kaapse Kleurlinge en/of Maleiers m. orkes) ook wv. bending/benning; Ndl. bende/bent (Lmnl. bende), Eng. band, uit Fr. bande uit It. banda, “vaandel”, en mntl. verb. m. Got. bandwa, “teken”; misk. oorspr. ’n Germ. wd. wat o.a. met bannier verb. kan hou. Kon via Ndl. en/of Eng. in Afr. gekom het.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Bende snw. Segsw.: ´n bende van Kedoes, ´n deurmekaarspul. Nog onder die ouer mense in die Boland bekend. Cartouche was ´n berugte misdadiger wat teen die end van die 17de eeu met sy rowerbende, saamgestel uit alle stande, die skrik van Parys en omgewing was. Op 21 Nov. 1721 is hy geradbraak. - Die uitdrukking sal wel vroeër algemeen in Nederland bekend gewees het (Harreb. I. 47: Het gelijkt de bende van Cartouche wet) en kom nog voor by Ter Laan 394: “’ṇ Binde van Kedoes, een vreselike rommel; een ordelozen troep.”

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bende (Frans bande)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bende (vroeger ook bande) is een Romaansch woord, afgeleid van ’t Fr. bande, It. banda, die op hun beurt waarschijnlijk weer van Germ, oorsprong zijn; Oudgerm. bandum = veldteeken, nog over in baanderheer en banier. Een bijvorm is bent, in de bet. van kliek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bende ‘troep’ -> Fries binde ‘groot aantal (niet ongunstig)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bende troep 1525 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal