Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bemer - (pestvogel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bemer [pestvogel] {1860} van bohemer [dus een vogel uit Bohemen].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beemer m., d.i. bohemer; vergel. Fr. jaseur de Bohème.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

Bemer (‘Bohemer’) en Boheemse gaai zijn verouderde namen voor de pestvogel (Bombycilla garrulus), die vooral in Noord-Europa broedt, niet speciaal in Bohemen (Tsjechië). Ook in het Engels en Frans wordt deze trekvogel met Bohemen geassocieerd. Mogelijk deed hij door zijn onregelmatige bezoeken aan West-Europa denken aan de rondzwervende zigeuners, die om hun vermeende land van herkomst ook wel bohemers werden genoemd. In de aan het Frans ontleende vorm bohémien is die naam voor zigeuners bij ons ingeburgerd in de betekenis ‘ongeregeld levend mens, artiest’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal