Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

belijden - (bekennen; een geloof aanhangen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

belijden ww. ‘bekennen; een geloof aanhangen’
Mnl. beliede (pret.) ‘verklaarde’ [1282; CG I, 662], Jc belie di vader here ‘ik beken aan u, vader, Heer’ [1287; CG II, Rijmb.], lien (zonder voorvoegsel) ‘belijden, opbiechten’ [1290; CG II, En.Cod.], belijen ‘(god) aanhangen’ [1450-70; MNW-R].
Afleiding met → be- van het Middelnederlandse werkwoord lien /liën/ ‘belijden, opbiechten’.
Mnd. belien ‘bekennen’; ofri. bihlīa ‘bekennen’, hlīa ‘belijden, een verklaring afleggen’ (nfri. belide); oe. hlīgian ‘toekennen, toeschrijven’; < pgm. *hlījan- ‘luid zeggen’. Verwant is ook oe. hlīsa ‘lawaai, roem’.
Buiten het Germaans verwant met Lets klinku, klikti ‘schreeuwen’; Oudkerkslavisch klicati, kličeti ‘schreeuwen, roepen’ (Russisch klikat', Servo-Kroatisch klicati); uit de nultrap van de wortel pie. *kel- ‘roepen, schreeuwen’. Bij deze wortel horen onder meer ook Latijn clāmāre ‘schreeuwen’ (zoals in → declameren) en Grieks klé(w)os ‘roem’, waarvan een Germaans equivalent voorkomt in de Oernoordse naam HlewagastiR, die staat op de runenhoorn van Gallehus [4e eeuw]. Ook de naam Clovis (< *Hlōdowik-) is hiermee verwant.
Het zwakke werkwoord mnl. belien ‘belijden, bekennen’ had als verleden tijd belijde (zoals in ende beliden hare sonden ‘en zij beleden hun zonden’ [1285; CG II, Rijmb.]). Mogelijk door hypercorrectie of door invloed van deze verleden tijd kon de -d- ook in de tegenwoordige tijd en de infinitief binnendringen. Al in het Middelnederlands vindt men daarom beliden. Vervolgens vond aanpassing aan het sterke werkwoord → lijden plaats.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

belijden* [een geloof aanhangen, bekennen] {beliën en ook al, met hypercorrecte d, beliden [erkennen, vermelden] 1282} middelnederduits belien, oudfries bihlia, oudengels hligan [toekennen]; buiten het germ. litouws klykti [schreeuwen], oudkerkslavisch klicati [schreeuwen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

belijden ww., mnl. belîen (naast zelden belîden) zw. ww., mnd. (be)līen ‘belijden, bekennen, meedelen’, ofri. (bi)hlīa ‘meedelen, verklaren’, vgl. verder oe. hlīga ‘toekennen (bijv. van reputatie)’ en hlīsa ‘reputatie, faam’. — osl. kličí ‘schreeuw’, kličati, kliknąti, ‘schreeuwen’, lit. klinkù, klìkti ‘schreeuwen’, behorende tot de idg. wt. *kel ‘roepen, schreeuwen’ (IEW 548) en zie verder bij hel 2.

Opmerkelijk is de overgang van de zw. tot de sterke vervoeging. De invoeging van de d geschiedde onder invloed van het zw. praet. (waarbij volgens v. Haeringen, Suppl. 16 zal hebben meegewerkt, dat de vormen met d als correcter werden gevoeld, nadat intervoc. d in verschillende dialecten gesyncopeerd was; dus een voorbeeld van een hypercorrecte spelling). De overgang tot de sterke conjugatie zal zijn veroorzaakt door de inwerking van ww. als lijden, mijden, strijden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

belijden ww., mnl. belîen “belijden, bekennen, gelooven in, erkennen, toezeggen, melding maken”, een samenstelling van lîen “id.”. De d is naar analogie van het zwakke praet. en verl. deelw. ingevoegd, daarna is de sterke flexie opgekomen; d-vormen komen reeds mnl. voor. Vgl. geschieden, wijden. Mnl. (be)lîen = mnd. (be)lîen “belijden, bekennen, meedeelen”, ofri. (bi)hlîa “meedeelen, een verklaring afleggen”. Verwant zijn nog ags. hlîga “toekennen, een reputatie geven”, hlîsa m. “reputatie, faam”. Verwant met obg. kličĭ “schreeuw”, klicati, kliknąti “schreeuwen”, lit. klinkù, klìkti “een schreeuw geven”, klykiù, klỹkti “schreeuwen”. De basis q(e)l-ĭ-q- is een verlenging — deels reduplicatorisch — van qel-. Vgl. hel II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

belijden. De analogie van het zwakke praeteritum en verl. deelw., waarmee v. Wijk de d verklaart, zal zeker hebben meegewerkt. Intussen is het gehele verloop niet te verklaren zonder aan te nemen, dat ten tijde van het opkomen der d-vormen een onzekere toestand heerste, doordat d in sommige dialecten intervocalisch was gesyncopeerd, maar in andere diall. en in de spelling gehandhaafd bleef: ten grond aan deze ‘d-epenthesis’ ligt dus vooral hypercorrectheid, niettegenstaande W. de Vries, Hyperkorrektheid 13 vlg. Zie vlieden Suppl. en vgl. ook kade Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

belijden o.w., nu sterk, Mnl. beliden, beliën, zwak, met inlassching van d gelijk in scheiden, wijden, bevrijden, enz. + Ags. hlígan, Ofri. hlía + Oslav. klicati = schreeuwen, Lit. klyka = geschreeuw.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

belijden (vert. van Latijn confitēri)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Belijden komt van een Mnl.: belïën of liën (verl. tijd: lide) = zeggen, melden, bekennen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

belijden ‘(een geloof) aanhangen, bekennen’ -> Fries belide ‘(een geloof) aanhangen, bekennen’; Duits beliden ‘toestemmen, bekennen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

belijden* (een geloof) aanhangen, bekennen 1282 [CG I1, 662]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

klēg-, klōg-, klǝg-, klang-; kleg-; klōg-; kleig-; kleik- ‘schreien, klingen’, verschiedene Erweiterungen des Schallwortes kel-6 ‘rufen’

1. Gr. κλαγγή f. ‘KIang, Getöse, wirrer Lärm’, κλάζω ‘klingen, schallen, bes. von wirrem Getös; erschallen lassen’ (*κλαγγι̯ω; κλάγξω, ἔκλαγον, κέκλαγγα, κεκληγώς); vollstuf. κλώζω (κλωγι̯ω) ‘schnalze, schreie’, κλωγμός ‘Glucken’;
lat. clangō, -ere ‘schmettern (Trompete); schreie, krächze (von Vögeln)’, clangor ‘Vogelschrei’;
aisl. hlakka (= lat. clangō) ‘schreien (Adler), jauchzen’; ags. hlacerian ‘verspotten’; afries. hlakkia ‘lachen’;
lit. klagė́ti, lett. kladzêt ‘gackern’; mit ē̆: lett. klę̃gât ‘schreien’, lit. klegė́ti ‘laut lachen’;
-Formen: lit. suklìgo ‘er schrie auf’, lett. klidzêt ‘schreien wie ein Habicht’, klìedzu, klìegt, Iter. klaĩgât ‘schreien’ (Leskien Abl. 275, Mühlenbach-Endzelin II 231 f.).
-Form: lit. klugė́ti ‘glucksen’;
2. mit auslautender Tenuis:
gr. κλώσσω ‘glucke’ (spät, vielleicht eher Rückbildung aus κλωγμός);
mir. clocc m., cymr. usw. cloch f. ‘Glocke’; die Quelle von nhd. Glocke usw. ist mlat.-rom.clocca ‘Schelle’;
got. hlahjan (hlōh), ahd. (usw.) lahhēn, lahhan ‘lachen’, hlahtar n. ‘Lachen, Gelächter’, ags. hleahtor ‘Gelächter, Jubel, Lust’, afries. hlackia ‘lachen’, Kaus. aisl. hlø̄gia ‘zum Lachenbringen’, got. ufhlōhjan ‘auflachen machen’; aisl. hlǣja ‘lachen’, ags. hliehhan ds.;
russ.-ksl. klegъtati, klekъtati ‘schreien, bes. vom Adler’, abg. klьčьtъ ‘Zähneklappern’ (usw., s. Berneker 511), abg. klokoštǫ, -otati ‘glucken, gackern’ (usw., Berneker 521).
ī̆-Formen: ags. hlīgan ‘to give a reputation for (wisdom); attribute to’, hlīsa, hligsa ‘Bericht, Ruf, Ruhm’, mndl. līen bе-līen, līhen ‘sagen, melden’, ndl. belijden, afries. hlīa ‘melden, bekennen’;
lit. klinkù klìkti ‘plötzlich pfeifend aufkreischen’; ablaut. klykiù, klỹkti ‘kreischen’;
russ.-ksl. kliknuti ‘aufschreien’, Iterat. aksl. klicati ‘schreien, rufen’, klikъ ‘Geschrei’ (usw., Berneker 519).
Ähnliche Schallworte sind, mit anlaut. g-: lat. glōciō, -īre ‘glucken’, mhd. klukken, ags. cloccian ds.; aisl. klaka ‘schwätzen’, engl. clack ‘Rasseln, Klappern; Mühglöckchen’, mhd. Klechel, Kleckel ‘Glockenschwengel’; mit anlaut. k-: ksl. klъcati ‘klopfen’, lit. klukšė́ti ‘glucken’; Reimworte bietet die Schallwurzel ker-1 S. 567 f.

WP. I 496 f., WH. 227 f., 606, Trautmann 136.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal