Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bekomst - (zoveel als iem. behaagt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

komen ww. ‘een plaats bereiken’
Onl. kuman ‘komen’ in te thi alla fleisc cuman sal ‘tot U komt al wat leeft’, ic quam an diopi seuues ‘ik kwam in de diepte van de zee’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. comen [1240; Bern.].
Os. kuman; ohd. queman, koman; oe. cuman; ofri. kuma, koma (nfri. komme); on. koma; got. qiman; < pgm. *kweman ‘komen’. De combinatie kwe- levert regelmatig ko- op in de afzonderlijke Germaanse dialecten, zoals in onl. quena ‘vrouw’, mnl. kone ‘vrouw’, ook on. kona ‘vrouw’ (maar genitief mv. kvenna).
Verwant met: Latijn venire; Grieks baínein, Sanskrit gam- (aorist); Avestisch gam (aorist); Litouws gim̃ti; Armeens ekn; Albanees n-gan; Tochaars A käm-, Tochaars B kam-; alle ‘komen, gaan e.d.’, bij de wortel pie. *gwem- ‘komen’ (LIV 209).
komst zn. ‘het komen’. Onl. cuomst ‘komst’ [ca. 1100; Will.]; mnl. comst ‘het komen’ [1236; VMNW]. Afleiding van komen met het achtervoegsel pgm. *-ti-. De -s- is hier wrsch. een overgangsklank; in andere talen verschijnt als overgangsklank soms -f-, bijv. Duits Kunft ‘komst’. Zie ook → bronst. ♦ bekomen ww. ‘uitwerking op iemand hebben’. Onl. bikuman ‘tegemoetkomen’ in unse herro ímo thar bequam ‘kwam onze Heer hem daar tegemoet’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. becomen ‘bevallen, behagen’ in die sparen die uon bequamen ‘de balken die hun (het meest) bevielen’ [1220-40; VMNW], ‘uitwerking op iemand hebben’ in de wortele alle, si di wale bekomen ‘alle wortels, zij hebben een goede uitwerking op je’ [1253; VMNW]. Afleiding van komen met het voorvoegsel → be-. ♦ bekomst zn. ‘zoveel als iemand verlangt’. Mnl. eerst met ander achtervoegsel becomte ‘behagen, genoegen’ [14e eeuw; MNW]; vnnl. bekomte, bekomste [1607; Kil.]. Afgeleid van bekomen met hetzelfde abstracta-vormende achtervoegsel als in bijv.begeerte en → beroerte. Onder invloed van het zn. mnl. comst(e) ‘komst’ is de vorm met -s- opgekomen, die de oudere vorm verdrongen heeft.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bekomst* [zoveel als iem. behaagt] {1526, vgl. becomte ca. 1350} van middelnederlands becomen [m.b.t. spijzen en daden e.d.: zowel ‘goede gevolgen hebben’ als ook ‘slechte gevolgen’ = opbreken] {1284}.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bekomst

Ergens zijn bekomst van hebben, is een vrij gewone zegswijze voor: ergens meer dan genoeg van hebben en speciaal: van iets onaangenaams. Wij hebben hier te maken met een ironisch gebruik van het woord bekomst dat hoort bij het werkwoord bekomen in de oude betekenis: bevallen, behagen. Eigenlijk is zijn bekomst van iets hebben dus: zoveel van iets hebben als men lust, als men prettig vindt. Het werkwoord bekomen wordt thans nog gebruikt voor: tot zichzelf komen. Wie op het nippertje de trein gehaald heeft, moet even bekomen. Ook bij het gebruik van bepaalde spijzen bezigt men het zeggend: die zware maaltijd is mij slecht bekomen. Verder kan men aan de bekomen (ontvangen) verwondingen overlijden en bekend is de wens: wel bekome het u!

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bekomst znw. v., eerst nnl.; in het mnl. heet het becomte ‘bekomst, zoveel men wil’ ook ‘behagen, welgevallen’. — Afgeleid van becomen ‘bevallen, betamen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bekomst znw., eerst nnl. In de plaats gekomen van het bij Kil. als “vetus” vermelde mnl. becomte v. “bekomst, zooveel men wil”, ook “behagen, welgevallen”, een — niet oude — afl. van mnl. becōmen in de bet. “bevallen, betamen”. Evenzoo mnd. bekomte “gemak, genoegen”. Zie bekwaam.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bekomst. Schrap: mnd. bekomte.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bekomst’: zijn bekomst eten (at, heeft gegeten), eten tot verzadiging. Dat gaat zo niet langer, dacht hij, voor weinig loon, en niet eens je bekomst eten, dat gaat niet...! (Van Cappelle 273). - Etym.: In AN veroud.
— : zijn bekomst hebben (had, heeft gehad), verzadigd zijn. Wil je nog rijst, Richenel*?- Nee, mevrouw, ik heb mijn bekomst. - Etym.: M.b.t. eten klinkt het in modern AN ouderwets of niet meer beschaafd, i.t.t. in het SN. De uitdr. komt in het AN evenals in het SN nog wel voor m.b.t. andere zaken, in de bet. van ‘er genoeg van hebben’ of ‘er méér dan genoeg van hebben’. Bijv.: U heeft leugens tegen me staan verkopen, en ik heb mijn bekomst van die praatjes (Helman 1954a: 44). - Zie ook: mijn buik* is vol.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bekomst ‘zoveel als iemand behaagt’ -> Deens bekomst ‘hetgeen iemand toekomt of verdient’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bekomst ‘de straf of behandeling die iemand verdient’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands bekomst ‘zoveel als iemand behaagt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bekomst* zoveel als iem. behaagt 1526 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

194. Zijn bekomst hebben van iets,

d.w.z. er genoeg van hebben, ironisch gebruikt van iets onaangenaams. Het znw. bekomst, waarnaast mnl. becomte, is afgeleid van het ww. bekomen in den zin van behagen; het wil dus eigenlijk zeggen: zooveel als iemand behaagt, zooveel als hij lust. De uitdr. dagteekent uit de 17de eeuw; zie Ndl. Wdb. II, 1624 en vgl. nog Halma, 51; Sewel, 77; fri. ik ha dêr myn bikomst fen, ik verlang daar niet meer mee te doen te hebben; ook: mijn geduld is uit. In Zuidndl. kent men de uitdr. niet in ironischen zin; vgl. Teirl. 119: zijn bekomste hen, genoeg hebben, verzadigd zijn, dronken zijn; Waasch Idiot. 100: bekomst, verzadiging.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal