Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bekennen - (uitkomen voor, erkennen; (bijbels) seksuele omgang hebben met)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bekennen ww. ‘uitkomen voor, erkennen; (bijbels) seksuele omgang hebben met’
Onl. ecco bicanda ‘zie, ik wist, ik erkende’, Uuanda ne bekanda buohcstaf ‘want ik herkende de letter niet’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], bekennan ‘(er)kennen, onderkennen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. bekennen ‘erkennen’ [1236; CG I, 21], ‘leren kennen’ [1265-70; CG II, Lut.K], ‘kennen’ [1285; CG II, Nat.Bl.D], ‘onderkennen, weten’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], bekennen si hare genoot ‘hebben zij gemeenschap met hun partner (gezegd van spinnen)’ [1287; Nat.Bl.D], Ic en bekende noit man ‘ik heb nooit gemeenschap met een man gehad’ [1340-60; MNW], Adam bekende Evam sijn wijf ‘Adam had gemeenschap met Eva, zijn vrouw’ [1460-62; MNW-P].
Afleiding met → be- van → kennen ‘bemerken, kennen, weten’; zie ook → bekend.
Ohd. bichennen ‘bemerken, kennen, leren kennen’ (nhd. bekennen ‘erkennen, toegeven’); ofri. bikenna ‘kennen, bekennen’ (nfri. bekenne).
De uitdrukking kleur bekennen ‘voor zijn mening uitkomen’ [1886; WNT kleur] stamt uit het kaartspel (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bekennen* [bespeuren, erkennen] {oudnederlands bicanda, bekanda (volt. teg. tijd) 901-1000, middelnederlands bekennen} middelnederduits, middelhoogduits bekennen betekent meest ‘bemerken, kennen, weten’, minder vaak ‘bekennen’; samenstelling van be- + kennen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bekennen ww., mnl. bekennen, mnd. mhd. bekennen ‘bemerken, weten, kennen’, vgl. onfrank. bikennan, ohd. bikennen ‘bemerken, erkennen’, ofri. bikanna, bikenna ‘bemerken, weten’. In religieuze zin komt het gebruik in aansluiting aan lat. confitēri op, allereerst in de taal der Mystieken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bekennen ww. Samenst. van kennen. Mnl., mhd., mnd. bekennen zijn gew. = “bemerken, kennen, weten”, minder vaak ook reeds “bekennen”. Onfr. be-, bikennan, ohd. bikennen hebben deze laatste bet. nog niet, ofri. bikanna, bikenna wel.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bekennen ‘belijden’ (bet. van Latijn confitēri)

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

zich bekennen. ― Het reflexief gebruik van het werkwoord bekennen staat in den zin van aannemen, omhelzen, belijden, aankleven onder Duitschen invloed, zoodat een zegswijze als sich zum christlichen Glauben bekennen niet letterlijk mag verdietscht worden.
|| Er is in Holland werkelijk moed toe noodig zich openlijk tot de rede van prof. V. C. te bekennen, H. L., VIII, 6, 3. De liga constateert dat vele protestantsche geestelijken … zich tot het beginsel bekennen dat voldoening moet worden gevorderd door de wapenen, IX, 10, 3. “Gij bekent u dus tot het bijgeloof waarvan ik mij de uitroeiïng tot levenstaak heb gesteld”, 14, 3.

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

bekennen. Het gebruik van dit woord, in de uitdrukking: zich tet eene leer, eene sekte bekennen, dat, in navolging van het Hoogduitsche taalgebruik, bij ons niet geheel vreemd is, verdient buiten twijfel afkeuring.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bekennen ‘bespeuren, erkennen’ -> Deens bekende ‘erkennen, toegeven’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bekjenne ‘erkennen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bekänna ‘erkennen, toegeven’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands beken, bekennen ‘bespeuren, erkennen, toestaan’.

bekennen ‘gemeenschap hebben’ -> Fries bekenne ‘gemeenschap hebben’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bekennen* bespeuren, erkennen 0901-1000 [WPs]

bekennen* gemeenschap hebben 1351-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1177. Kleur bekennen.

Eene uitdr. aan het kaartspel ontleend, die eig. wil zeggen een kaart van dezelfde soort spelen als degeen, die deze het eerst gevraagd heeft; gedwongen worden zijne kaarten van een bepaalde kleur te laten zien; bij overdracht: voor zijne meening uitkomen, veelal op staatkundig gebied; kleur houden, blijven ontkennen (Köster Henke, 33); hd. Farbe halten, bij zijn meening blijven); Afrik. hy wys sy kleure (ook kleure beken); vgl. hd. Farbe bekennen, mit der Farbe herausrücken en nicht mit der Farbe heraus wollen, zijne meening verzwijgen (Grimm III, 1324), waarvoor men in Antwerpen zegt: zijn vlag in zijn(en) zak steken (Antw. Idiot. 382); eng. to show one's handcards.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal