Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bekattering - (Bargoens: uitbrander, bekeuring)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Kat-woorden

In 2015 meldde de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit dat er twee mensen waren aangehouden op verdenking van het ‘omkatten’ van voedsel voor de export naar Rusland. “Varkensvlees ‘omgekat’ tot patat”, luidde de krantenkop. En in 2013 werd gemeld: “Nederlandse dierenpaspoorten worden illegaal verkocht en zelfs honden buiten de EU worden omgekat naar Roemeense honden.”
Je zou bij deze woordspelingen misschien denken dat er een etymologisch verband is tussen het werkwoord omkatten en de dierennaam kat, maar dat is er in het Nederlands niet. Omkatten is ontleend aan het inmiddels alweer verouderde Amerikaans-Engelse to cat a car: ‘een auto opleuken met spoilers, sierstrips en dergelijke’. Oorspronkelijk verwijst de uitdrukking naar de praktijk van louche autohandelaren om een gestolen auto te voorzien van de kentekenplaat en het chassisnummer van een sloopauto, zodat de auto legaal kon worden doorverkocht. De oorsprong van to cat a car is onduidelijk. Misschien is er een verband met to go catting (‘opgedoft op de versiertoer gaan’), maar dat is niet zeker. De betekenis ‘een auto opsieren’ zal als eufemisme zijn opgekomen. Het woord omkatten is hoogstens enkele decennia oud. Een krantenbericht waarin “een bekwame omkatter” wordt veroordeeld, dateert van 1972.

Katvanger
Ook een ‘katvanger’ houdt zich bezig met louche zaken: een katvanger is ‘een zetbaas, stroman die wordt gevraagd als directeur van een bv op te treden, waarvan koppelbazen vervolgens gebruikmaken om hun illegale praktijken te dekken’. Omdat de zetbaas de politie opvangt en weghoudt van zijn bazen, is wel gesuggereerd dat kat hier ‘de politie en justitie’ betekent; een katvanger ‘vangt’ dan de kat, de politie, oftewel houdt die tegen.
Uit de oudste vindplaats blijkt echter dat het woord een andere herkomst heeft. In 1947 is sprake van smokkelaars in de Amsterdamse haven die, “wanneer zij hun slag proberen te slaan”, de hele haven afzetten met uitkijkposten, “terwijl één van hen als ‘katvanger’ fungeert, die de buit in de wacht moet slepen”. Kat is het Bargoense woord voor ‘fooi’, vroeger bij de Koninklijke Marine ook voor ‘wedde’ of ‘salaris’. Dit kat komt uit Indonesië. Hierin namen de Nederlanders het Franse leenwoord gage mee, dat in het Maleis werd ontleend als gaji (‘loon’). Door de veranderde uitspraak (‘gadzji’) herkenden de Nederlanders het oorspronkelijke woord gage niet meer; ze namen het woord op de klank over uit het Maleis en vervormden het tot kat(je). De uitdrukking ‘Dat is kat in het bakkie’ (‘Dat is makkelijk, dat loopt gesmeerd’) gaat waarschijnlijk terug op hetzelfde woord kat.

Een kat krijgen
Bij iemand een kat geven of een kat krijgen denken we aan de uithaal van een felle kat, maar ook deze uitdrukkingen hebben oorspronkelijk niets met het dier te maken. Kat is in deze combinaties van oorsprong een verkorting van bekattering. Dat weten we omdat de genoemde combinaties jong zijn; geen van alle zijn ze voor de twintigste eeuw genoemd. Bekattering, dat aan de bron van deze kat-woorden ligt, is een Bargoens woord dat voor het eerst in 1906 op schrift te vinden is in het krantenfeuilleton ‘De verhalen van een Speurder. Naverteld door J. F. X’, met sappige Amsterdamse dialogen. Nadat een verontwaardigde verdachte protest heeft aangetekend tegen zijn aanhouding, antwoordt de ‘speurder’: “Ik heb geen pik op je, Dries; maar ’n dofgajes [= rechercheur] kan zich toch ook vergissen met ’n bekattering.” In een noot wordt bekattering uitgelegd: “= beschuldiging”.
Het woord is ontleend aan het Jiddische mekatreg (‘aanklager’), dat teruggaat op het Hebreeuwse qāṭēghōr (‘aanklager’). Dit Hebreeuwse woord is ontleend aan het Grieks, waarin katègoros ‘aanklager’ betekent, eigenlijk ‘iemand die zijn stem laat horen in de volksvergadering’, want het woord is afgeleid van het werkwoord katēgoreĩn, een samenstelling van kata- (‘van, omlaag’) en agora (‘volksvergadering, marktplaats’): beschuldigingen werden oorspronkelijk in de openbare ruimte geuit. De betekenis van bekattering (‘beschuldiging, bekeuring’) ontwikkelde zich later in het Nederlands tot ‘uitbrander’.
Een andere afleiding van het Griekse werkwoord katēgoreĩn (‘aanklagen’) is katēgoria (‘aanklacht’). Dit woord hebben we (via het Frans) echter in een heel andere betekenis geleend, namelijk als categorie (‘onderdeel van een classificatie’). Die betekenis kreeg het woord dankzij de filosoof Aristoteles, die in zijn Katègoriai ‘Over de Categorieën’ tien grondvormen beschreef waarmee de menselijke geest het Zijn kan bevatten. En zo zijn we al kattend van de dieventaal beland in de wijsbegeerte.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2017), ‘Kat-woorden’, in: Onze Taal 10, 23.]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bekattering [barg.: uitbrander, bekeuring] {1906} < jiddisch mekatreg [aanklager] < hebreeuws məqatrēg [idem], vgl. hebreeuws qāṭēghōr [aanklager] < grieks katègoros [aanklager] (vgl. categorie); vgl. voor de betekenis Satan.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

bekattering uitbrander, berisping; beschuldiging; bekeuring; vonnis. In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke geeft als betekenissen ‘uitbrander’, ‘berisping’, ‘bekeuring’, ‘beschuldiging’ en ‘ruzie’. Als vormvariant vermeldt hij mekattering. In de geraadpleegde primaire bronnen vooral gebruikt voor ‘beschuldiging’. Zie verder bij bekatteren.
— ‘Ik heb geen pik op je, Kees; maar ’n dofgajes [rechercheur] kan zich toch ook vergissen met ’n bekattering.’ ¶ Jan Feith, Op het dievenpad (1907) p. 99. De schrijver verklaart de betekenis (‘beschuldiging’) in een woordenlijst.
— Waaide die bekattering ook naar Corry over, dan zou hij haar wel doen beseffen hoe onwaar dat praatje rondgezongen werd. ¶ Is. Querido, Van Nes en Zeedijk (1915), p. 109. De schrijver verklaart de betekenis (‘beschuldiging’) in een voetnoot.
— ‘Mot u mijn vertellen’, zei de Buffel verachtelijk. ‘Ik vier dit jaar nog m’n vijf-en-twintigste kraak en nog geen één bekattering.’ ¶ Piet Bakker, Kidnap (1952), p. 201. De schrijver verklaart de betekenis (‘vonnis’) in een woordenlijst.

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

bekattering [bekat’tering] (mv.: -en), mekattering (Barg.): standje, uitbrander, afstraffing, bekeuring; bekatteren: beschuldigen, belasteren; verkort tot: (iem. een) kat (geven), (af-)katten | < Jidd. mekatreg zein: beschuldigen, aanklagen; en mekatreg: beschuldiger; Satan (als openbare aanklager voor het Hemelse Gericht) < Rasji-Hebr. < Talmoed-Aram. < Koinè-Gr. katègoros: aanklager, beschuldiger.

— Ze hadden een mekattering met een kar met blauw laken [lood]. (W.L.H. KÖSTER HENKE, 1906)
— “Maak me daar zo’n bekattering!”
“̕ k Geef je daar op ’n opneuker* die je zal voele as je me nog langer leg te bedriege” zegt woedend Fraatje. (K. DE WIND, CA.1908)
— “Wat kèn ̕ k fèn u krage? ’t Saan mauie meubiltjes, saat se. Ik seg: Nou juffrouw, ̕ k hep se wel ̕ r is mauier gesien. Joa Freik, dat haurt baai ’t fak. Al sie je faur je God, dat ̕ r niks beitirs bestoat, toch ̕ r ’n bekattering oplegge; dat doen se in de tweide koamir auk.” (G. P. SMIS, CA.1944)
— Jacob Soep zegt vaak: “Noggisgezegd”, “Hou daar rekening mee”, “maak gauw af”, “ze maken me misselijk”, “géén uur hoor”, “ik neem geen bekattering (uitschijter) voor een ander”... Wanneer hij iets vertelt, knikken Jaap en ik gedwee van ja, maar bekennen elkaar achteraf, dat we er geen touw aan kunnen vastknopen. Evenzeer reageert hij met lege blikken op ons Oxford-dutch. (LODEN VOGEL, 1946)
— Mijnheer Belinfante had een compagnie losse kelners moeten aannemen. Gasten en kelners liepen in gehuurde smokings en zelfs de deskundige, die speciaal op de witte of zwarte dasjes lette, raakte in de war, zodat het een kleine sensatie veroorzaakte, toen mijnheer Belinfante een kelner een bekattering van geweld gaf, omdat die stond uit te blazen van de taartjes... en laat het nou een belangrijk iemand uit de misjpoge van de bruidegom geweest zijn. (MEYER SLUYSER, 1964)

Zie ook afkatting, kat

* opdonder. ‘neuken’ betekent eigenlijk ‘stoten’ (daarnaast o.m.: plagen, bedriegen; kijven; zeuren).

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bekattering (Jiddisch mekatreg)

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

bekattering uitbrander, bekeuring; als vervorming van mekatreg z.a. in de ndl. volkstaal opgenomen; in deze betekenis niet-jidd.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

bekattering < jidd. metkatreg < grieks, eigenl. aanklager; in de Nederlandse, speciaal in de Amsterdamse volkstaal: bekeuring, uitbrander.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bekattering Bargoens: uitbrander, bekeuring 1906 [MOO] <Jiddisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1475. Iemand den mantel uitvegen,

d.w.z. iemand een katje of een bekattering (Jord. I, 63; II, 121Vgl. bekatteren, beschuldigen (Peet, 61) en zie N. Taalgids X, 29.) geven, een standje maken, eene strenge berisping toedienen, hem scherp doorhalen. Eene ironische uitdrukking, die wordt aangetroffen bij Harreb. II, 65; Het Volk, 6 Oct. 1913, p. 1 k. 3; 29 Mei 1914, p. 1 k. 4; Hand. Staten-Gen. 1913, p. 2932; Ndl. Wdb. IX, 224; enz. Ze staat gelijk met iemand een pak aanpassen, iemand afkammenDe Arbeid, 19 Febr. 1914, p. 1, k. 3: Er moest afgekamd, gelasterd en gelogen worden., afveteren (Ndl. Wdb. I, 1706), afkwispelen, een kamming geven (Schuerm. 218 b); iemands frak uitborstelen of uitkloppen (Joos, 107 en Antw. Idiot. 431); iemands rug meten (Joos, 107); iemand den pels uitkloppen; iemand afrossen, - afborstelen; iemand zijn bol wasschen, een handschoentje passen, roskammen (Joos, 73), iemand afdrogen (Kl. Brab.), er met den rouwen borstel over gaan, iemand een droge borsteling geven (Antw. Idiot. 277; 278); schrobbeeren - eene schrobbeering geven, eene uitschuring geven (in Friesl.); iemand uitluchten; het haar uitkammen, iemand de kast uitkeren (uitvegen); fri. it hier ûtkjimme (Ndl. Wdb. V, 1408; 1409); het jak afschuieren (W. Leevend VI, 24); den rok uitvegen (Harreb. II, 226 b); iemand 't buis ûtvègen, 't jak ûtstükken (Draaijer, 7 a); den mantel afvegen (Abr. Bl. 3, 128); fri. immen de mantel utfege; utmantelje; gron. de moan (de maan van een paard) overhoalen; de boksem oetstubben; fri. immen ôfhimmelje (reinigen); enz.; fr. trousser la jaquette à qqn; hd. einem den Pelz, die Jacke ausklopfen; einen (ver)wamsen; eng. to dust a p's jacket.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal