Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beignet - (soort gebak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beignet zn. ‘soort gebak’
Nnl. beignets van abrikozen, van ananassen, van... [1863; Rijnhart Woordenboek voor het Praktische Leven I].
Ontleend aan Frans beignet ‘beignet’ [1605; Rey], ouder bignet [1314; Rey], letterlijk ‘builtje’, wrsch. verkleinwoord van het pas later geattesteerde Oudfrans beigne of bigne, dialectisch buyne [1378; Rey] ‘buil’, waarvan de verdere herkomst onbekend is. De beignets zijn naar hun ronde, bolle vorm genoemd. Zie ook → appelflap.
Het woord is eerder ontleend als mnl. bongnet ‘beignet’ [15e eeuw; MNW] uit Oudfrans bugnet, bognet, dialectische varianten van beignet: Het Nederlands heeft het woord later opnieuw ontleend aan Frans beignet.

EWN: beignet zn. 'soort gebak' (1863)
ANTEDATERING: Bignetten, of gespoote gebak [1754; Aanh.Keukenmeid, 10]
Later: BIGNETTEN, of "Beignetten", ook "Benjees" genaamt, is een gebak in verscheidene zoorten beftaande [1778; Chomel, 185] (EWN: 1863); Amerikaansche Beignéts en Appel-Beignéts [1855; Bredasche courant (KB) 27/5]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beignet [gebak] {1875} < frans beignet, verkleiningsvorm van beigne [oorspr. een buil tengevolge van een slag], etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beignet znw. v. < fra. beignet ‘gebakken vruchtenschijfje; eig. ‘kleine buil’, in de 14de eeuw bugnet (waaruit mnl. bongnet), dat afgeleid is van ofra. buigne ‘buil’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beignee znw., eerst nnl. Uit fr. beignet. In het Mnl. was ook reeds ofr. bugnet, bognet als bongnet m. overgenomen. Het fr. woord komt van een synoniem ofr. beigne, dat met bigne “buil” wordt geïdentificeerd (dial. en elders in ’t Rom. ook vormen met u, o; men neemt gew. germ. oorsprong aan).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

benjee (zn.) soort gebak; Nuinederlands beignet <1863> < Frans beignet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beignet ‘gebak’ -> Sranantongo benye ‘gebak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beignet gebak 1875 [WNT appel] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal