Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

behoren - (toebehoren, nodig zijn, passen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

behoren ww. ‘toebehoren, nodig zijn, passen’
Mnl. behort ‘moet, is gehouden’ [1236; CG I, 21], samengetrokken ook boren ‘(toe)behoren’ [1266-68; CG I, 130], buert ‘is passend’ [1450-1500; MNW].
Afleiding met → be- van het werkwoord → horen.
Mnd. behoren ‘(toe)behoren’; mhd. gehören, nhd. gehören; nfri. behear(r)e.
Het woord is semantisch nauw verwant met horen. Bij uitbreiding kan ‘luisteren’ ook betekenen ‘luisteren naar iemand’ en vervolgens ‘gehoorzamen aan iemand’, wat dan kan worden opgevat als ‘onderdanig, ondergeschikt, of onderworpen zijn aan iemand, onder iemands gezag staan’. Vervolgens kan horen dan ook betekenen ‘aan iemand toebehoren’. Bij algemener gebruik kan horen ook van toepassing zijn op levenloze zaken: ‘aan iemand of iets behoren’, ‘passen’. In de spreektaal is horen gebruikelijker dan het gelijkbetekenende behoren; hetzelfde geldt voor het Duitse paar hören en gehören).
behoorlijk bn. ‘gepast’. Vnnl. behoorlijk (bn.) ‘gepast’ [1630; WNT], bw. ‘op gepaste wijze’ [1731-35; WNT], ‘in voldoende mate’ [1860; WNT]. Afleiding van behoren ‘passend zijn’ met het achtervoegsel → -lijk.

EWN: ♦ behoorlijk bn. 'gepast' (1630)
ANTEDATERING: mnl. alsoe ghelijc alse ten war[den] van der heileger ewangelien behoerlec es 'zoals uit eerbied voor het heilig evangelie passend is' [1291-1300; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

behoren* [toebehoren, nodig zijn, passen] {1201-1250} oudsaksisch gihorian, oudhoogduits gihoran (hoogduits gehören), oudengels gehieran; van horen; de betekenisontwikkeling was ‘luisteren naar, zich voegen, passen’, vgl. gehoorzaam.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

behooren ono.w., Mnl. behoren, Os. gihôrian + Ohd. gihôran (Mhd. gehören en behören, Nhd. gehören) Ags. gehíeran; de bet. van passen, toekomen, toebehooren bestaat alleen bij de Mnl. en Mhd., Nndl. en Nhd. woorden, die de beteekenis van hooren, luisteren niet hebben, terwijl de oudere talen alleen die van hooren, niet de andere hebben: toch zijn ze alle dezelfde w. De beteekenisontwikkeling vindt men in het begrip luisteren naar, dus volgen, passen bij.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

behure (ww.) behoren, passen; Vreugmiddelnederlands behoren <1236>.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

behooren. – Niet zelden wordt dit werkwoord gebruikt in een paar beteekenissen welke het in het Nederlandsch niet heeft, maar welke wel eigen zijn aan fr. appartenir, dat o.a. ook behooren beteekent. Vandaar dat dan ook de andere beteekenissen van appartenir ten onrechte aan behooren toegekend worden, t.w.
Binnen de bevoegdheid vallen (van iemand). || De policiedienst behoorde geheel en gansch aan de krijgsoversten, MATHOT, Troebele Tijd 64. De wetgevende macht behoort aan den landdag, samengesteld uit vier standen: den adel, de geestelijkheid, de burgerij der steden en de boeren, ROOSES, Op Reis 214.

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
behooren. - Wanneer dit werkwoord beteekent: het eigendom zijn van iemand, wordt het geconstrueerd met een datief, al of niet omschreven met aan; wanneer het beteekent: passen, gerangschikt moeten worden in een uit deelen bestaand geheel, in eene bepaalde groep van personen of zaken, gaat het vergezeld van eene bepaling met tot of onder, soms met bij. Maar fr. appartenir wordt in beide gevallen met à geconstrueerd, en dit heeft het gevolg, dat in Zuid-Nederland ook in de tweede der opgenoemde beteekenissen aan gebruikt wordt.(1) || Die familie behoorde aan de Vleeschhouwersnering, wier getrouwheid aan de Graven gekend is, DE PAUW, Besouch VII. Mijn vader behoorde aan Malatesta’s Huis. Hij was hun geneesheer, GITTENS, Paris. 13. In zedelijk opzicht, zal hij (“het kind”) worden opgeleid tot een burger, wiens verstandelijke vermogens genoeg ontwikkeld zullen wezen om hem het besef te geven der rol welke hij als bijzonderling te vervullen heeft in de maatschappij waaraan hij behoort, MEERT in De Toekomst, 34, 283.

(1) Hiernaar moet verbeterd worden het eerste gedeelte van het art. Behooren in de eerste afdeeling, II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

behoren ‘toebehoren, nodig zijn, passen’ -> Negerhollands behoor ‘toebehoren, nodig zijn, passen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

behoren* toebehoren, nodig zijn, passen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal