Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

behojebikker - (souteneur)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

behojebikker [barg.: souteneur] {na 1950} van behoje + bikken [eten], dus ‘iem. die mee-eet van de opbrengst van de behoje’.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

behojebikker souteneur. In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke geeft als omschrijving: ‘Een kerel, die leeft (bikt) van het zedeloos bedrijf van zijn vrouw of meid; ook een scheldnaam voor de houder van een café met dames’ Behoje betekent ‘vrouwelijk geslachtsdeel’ en is ontleend aan het Jiddische behojje (‘schaamte’); bikken is een plat woord voor ‘eten’. Een vergelijkbaar woord is nasser, dat in 1937 in De Gabbertaal is opgetekend voor ‘souteneur’. Dit komt van nassen in de betekenis ‘eten’. Vergelijk bikker.
— Het ruw-overrompelende haatte Karel Burk juist zoo hevig in de behoje-bikkers. ¶ Is. Querido, Van Nes en Zeedijk (1915), p. 274. De schrijver verklaart de betekenis in een voetnoot.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

behojebikker, behuienbikker: (Bargoens) souteneur, pooier. Betekent letterlijk ‘kut(uit)vreter; iemand die leeft (bikt) van het zedeloos bedrijf van zijn vrouw’ Reeds opgetekend door Henke. Zie ook pooier*.

Het Joodje kwam er gauw bij en sprak: ‘Deins je, rotte behuienbikker!’ (H. van Aalst, Onder martieners en bietsers, 1946)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal