Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

behept - (lijdend aan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

behept bn. ‘lijdend aan’
Mnl. beheept ‘gekweld, lastiggevallen’ [1400-50; MNW beheept]; vnnl. behiepet ‘ermee behept’ [1534; MNHWS], met de ... quale ... behebt ‘lijdend aan de ziekte’ [1635; WNT], beheft met meer dan twintigh qualen ‘lijdend aan meer dan 20 ziekten’ [1639; WNT behechten], behebt met lichtgeloovigheid ‘lichtgelovigheid als negatieve eigenschap hebbend’ [1691; WNT].
In behept zijn twee afleidingen met het voorvoegsel → be- samengevallen. De eerste is mnl. beheept, behepet ‘geraakt, getroffen’; vnnl. behipt, behept met ‘geraakt door’, van verder onbekende herkomst. De tweede is vnnl. beheft [17e eeuw; WNT], dat wrsch. samenhangt met mnl. behagten ‘vastbinden, verplichten’ [1240; Bern.], behechten ‘vasthechten’ [1626; WNT behechten], behachten, behaften ‘vasthouden, in hechtenis houden’, behacht ‘verstrikt, overvallen door’ [ca. 1410; Toll.], een afleiding van → hechten.
Met dat tweede woord, mnl. behaften, zijn verwant: os. biheftid (mnd. behaften ‘gevangen nemen’); ohd. behaftit, biheftit ‘vastgebonden, behept, beziggehouden’ (nhd. behaftet ‘behept’).
Gezien sommige spellingvarianten werd verwantschap met het werkwoord hebben gevoeld, wat niet juist is.
Lit.: J. Verdam (1907) ‘Behept’, in: TNTL 26, 101-103

EWN: behept bn. 'lijdend aan'; de vorm behept (1635)
ANTEDATERING: aen de boosheydt behebt 'in het kwaad verstrikt' [1620; Socinus 12]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

behept* [lijdend aan een zedelijk gebrek] {beheept [getroffen door een ziekte] 1401-1450} van middelnederlands behachten [aansprakelijk stellen, in hechtenis houden] (vgl. hechten1). Het woord is dus waarschijnlijk niet te verbinden met ‘hebben’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

behept

Er wordt gevraagd of men moet schrijven: behept, dan wel behebd, meestal wordt behebt geschreven.

Persoonlijk geef ik de voorkeur aan het eerste en wel om twee redenen: behept is niet afgeleid van het werkwoord hebben en voorts: het woord is onverbuigbaar en zulke woorden pleegt men naar de uitspraak te spellen (buskruit bijv., ofschoon kruit hetzelfde woord is als kruid).

De afleiding van behept is nogal onzeker. Waarschijnlijk is het een mengvorm van beheept: gekweld door, waarvan de afkomst onbekend is, met beheft dat in de 17e eeuw voorkwam in de betekenis: vastgebonden en dat het deelwoord is van behechten: vasthechten, vastmaken. Behept met is: lijdend aan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

behept bnw., eerst sedert de 17de eeuw. Daarnaast staat de spelling behebd, waaruit blijkt, dat men verband met hebben gezocht heeft; dit kan echter slechts secundair geweest zijn. — FW 43 neemt aan dat men moet uitgaan van twee verschillende woorden en wel: 1. mnl. beheept, behepet ‘gekweld door, opgescheept met’, vroegnnl. (17de eeuw, vooral Hooft) behipt met ‘opgescheept met’, fri. bihypt ‘behept met de zucht tot’; oorsprong onbekend (vgl. J. Verdam Ts. 26, 1907, 101-3 bij hippen ‘treffen, raken’). — 2. vroegnnl. (17de eeuw) beheft, fri. biheft (Gysb. Jap.) ‘behept’, vgl. mnl. behacht ‘verstrikt, overvallen (door de dood)’, os. biheftid ‘infligitur’, ohd. bihaft, biheftit ‘vastgebonden, behept, beziggehouden’ (nhd. behaft, behaftet), dat samenhangt met hechten, vgl. ohd. biheften ‘vasthechten, verplichten tot’, mnd. behaften ‘gevangennemen’, mnl. behachten, behaften ‘arresteren’ en verder behacht ‘aansprakelijk’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

behept bnw., sedert de 17de eeuw. Voor ons taalgevoel verwant met hebben, vandaar ook de spelling behebd. Wellicht heeft hebben ook bij het ontstaan van den vorm invloed gehad. Blijkbaar zijn in behept twee woorden opgegaan, nml.: 1. mnl. beheept, behēpet “gekweld door, opgescheept met”, vgl. fri. bihypt “behept met zucht tot”, 17de-eeuwsch ndl. (vooral Hooft) behipt met of in “betrokken in”. Oorsprong onbekend; — 2. 17de-eeuwseh ndl. beheft, Gysb. Jap. biheft “behept”, = mnl. behacht “verstrikt, overvallen (door den dood)”, ohd. bihaft, biheftit “vastgebonden, behept, beziggehouden” (nhd. behaft, gew. behaftet), os. biheftid (nom. enk. deelw.?) “infligitur”. 2. is ’t verl. deelw van be-hechten (zie hechten), ohd. bi heften “vasthechten, vasthouden, verplichten tot”; hiernaast mnd. behaften “arresteeren”, mnl. behachten, behaften “id.” (en “aansprakelijk stellen”, vandaar behacht “aansprakelijk” evenals mnd. behacht).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

behept bijv., hierin zijn twee w. samengevallen: 1. 17e eeuwsch behipt = betrokken in: oorspr. onbek., en 2. 17e eeuwsch beheft = gebonden tot, gehouden tot, verl.deelw. van behechten (z. hechten).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

behep b.nw.
Bevange met, gepla met.
Uit Ndl. behept (1691), uit Mnl. behachten 'aanspreeklik stel, in hegtenis neem' of beheept 'opgeskeep met, gekwel deur', waarvan die herkoms onseker is.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Behept (of behebd?). Duidelijk is het woord nog niet te verklaren. Men ziet er gewoonlijk het deelwoord in van hebben in den zin van houden, dus iets behouden, bijv. een kwaal of zedelijk gebrek. Het woord zou dan behebd moeten zijn. – Anderen denken aan beheft (in ’t Duitsch is heften: vasthechten), dat in behept veranderde (vgl. laufen en loopen); ’t woord zou dan bet.: met iets vastgehecht, belast zijn. – Ook zijn er, die er ’t grondwoord happen (= vangen, naar iets happen) in zien, zoodat dan behept gelijk staat met bevangen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

behept* lijdend aan een zedelijk gebrek 1691 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

188. Behept zijn met iets,

d.w.z. aan een zedelijk gebrek lijden; 17de eeuw ook: aan een kwaal, een ziekte lijdende zijn, waarnaast ook behipt met (of in) iets zijn voorkwam in den zin van: ergens in betrokken zijn. Men houdt behept (dat voor ons taalgevoel verwant is met hebben, vandaar de spelling behebd) voor een versmelting van mnl. beheept (fri. behypt), gekweld door, opgescheept met, 17de eeuw behipt met of in, betrokken in, en het 17de-eeuwsche beheft = mnl. behacht, verstrikt, overvallen (door den dood). Zie Franck - v. Wijk, 43; Ndl. Wdb. II, 1494 en vgl. behypt wêze mei kweasprekken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal