Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

begaan - (te werk gaan, een daad volvoeren)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

begoon (ww.) begaan; Middelnederlands bigan <1265-1270>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1begaan ww.
1. Betree, gaan, loop of ry op. 2. Aanhou met iets sonder om gehinder te word. 3. Pleeg, verrig, bedryf.
Uit Ndl. begaan (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 en 3 in Patriotwoordeboek (1902).
D. begehen (8ste eeu).

2begaan b.nw.
1. Met medelye vervul. 2. Besorg, bekommerd. 3. Ingenome, geesdriftig.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. begaan (20ste eeu). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 en 2 in Patriotwoordeboek (1902).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

begaan ‘te werk gaan, een daad volvoeren’ -> Deens begå ‘plegen; (wederkerend) zich weten te bewegen, zich passend gedragen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors begå ‘plegen, zich schuldig maken aan’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds begå ‘plegen, zich schuldig maken aan’ (uit Nederlands of Nederduits).

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal