Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beetnemen - (bedotten, afzetten)

Etymologische (standaard)werken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beethebben, beetkrijgen, beetnemen o.w., samengest. met beet 2 = hap.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beetnemen ‘bedotten, afzetten’ -> Fries beetnimme ‘bedotten, afzetten’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

183. Iemand beethebben (of -nemen),

iemand door hem te slim te wezen in zijne macht hebben, hem bedotten, foppen, een verbale uitdr. ontstaan uit iemand in de beet hebben, iemand in zijne klauwen hebben (om hem te bijten). Zie Tuinman I, 296 en iemand te grazen nemen (Köster Henke, 23), iem. nemen (Köster Henke, 47) of er er tusschen nemen, inpakken, te pakken hebben of nemen (Jong. 174; Falkl. V. 27; fr. attraper qqn; hd. einen mitnehmen; fri. immen meinimme, afzetten); bij den neus hebben of grijpen, zooals in de 17de eeuw voorkomt; iemand bij 't (linker) been grijpen (fri. ien by 't foetsje krije; eng. to pul a person's leg); gron. hij het mie bie 't bijn had, hij heeft mij beetgenomen (in geldzaken; Molema, 509Volgens Gallée, 4 beteekent in het Overijselsch iem. bij 't beentje krîgen, iem. onder handen nemen.), drentsch een bij 't been krigen, foppen (Bergsma, 32) en iemand hebben. Zie het Ndl. Wdb. II, 1347; VI 214, en vgl. beet hebben bij 't visschen, tuk hebben, 17de eeuw hoek hebben; fri. byt habbe.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal