Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beethebben - (iemand in zijn macht hebben)

Etymologische (standaard)werken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beethebben, beetkrijgen, beetnemen o.w., samengest. met beet 2 = hap.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

183. Iemand beethebben (of -nemen),

iemand door hem te slim te wezen in zijne macht hebben, hem bedotten, foppen, een verbale uitdr. ontstaan uit iemand in de beet hebben, iemand in zijne klauwen hebben (om hem te bijten). Zie Tuinman I, 296 en iemand te grazen nemen (Köster Henke, 23), iem. nemen (Köster Henke, 47) of er er tusschen nemen, inpakken, te pakken hebben of nemen (Jong. 174; Falkl. V. 27; fr. attraper qqn; hd. einen mitnehmen; fri. immen meinimme, afzetten); bij den neus hebben of grijpen, zooals in de 17de eeuw voorkomt; iemand bij 't (linker) been grijpen (fri. ien by 't foetsje krije; eng. to pul a person's leg); gron. hij het mie bie 't bijn had, hij heeft mij beetgenomen (in geldzaken; Molema, 509Volgens Gallée, 4 beteekent in het Overijselsch iem. bij 't beentje krîgen, iem. onder handen nemen.), drentsch een bij 't been krigen, foppen (Bergsma, 32) en iemand hebben. Zie het Ndl. Wdb. II, 1347; VI 214, en vgl. beet hebben bij 't visschen, tuk hebben, 17de eeuw hoek hebben; fri. byt habbe.

2065. (Den) slag van iets (beet)hebben,

d.w.z. bedreven, behendig zijn in iets; iets gemakkelijk kunnen doen; de behandeling van iets beethebben, er het stieleken van hebben (Waasch Idiot. 629 b). Vgl. voor de 17de eeuw Van Moerk. 202: Al weer moet ic door beswering maken gewach, met een drolligen slach soo sal 't in zijn werck gaen; Winschooten, 257: Slag een handeling of habitus, of handigheid, dexteritas beteekend: dat is geen slag: hij heeft 'er geen slag van; Vondel, Aenleidinge: Wie dit maghtigh is, en daer den slagh van heeft, kan veel velts winnen; Harreb. II, 270; Antw. Idiot. 1111: van iet den slag weg hebben, het kennen; hij heeft den slag van de zweep weg of hij kent den slag van de zweep, hij weet hoe hij 't moet doen, hoe hij 't moet aanleggen. Synoniem is het vroegere een greep in iets hebben, waarnaast ook voorkomt den (de) greep weghebben (Waasch Idiot. 265 b; hd. etw. im Griffe haben), de handigheid van iets beethebben, waarin greep uit de bet. wijze van aanvatten, manier van handelen, die van vaardigheid, handigheid in het algemeen ontwikkeld heeft (Ndl. Wdb. V, 637). Vgl. ook het fri. de guit of de goaiVgl. ga je gooi; no. 715. der fen habbe; oostfri. hê hed d'r gôd slag fan (Ten Doornk. Koolm. III, 190 a); de pak van iets hebben, dat in het Bredaasch, Limburgsch en Antwerpsch bekend is (Hoeufft, 447; Antw. Idiot. 933; 't Daghet, VII, 49); ievers de snee van weghebben (Antw. Idiot. 1138); het noordh. er den vaat van weg hebben (Bouman, 110); westfri. er de fit (vgl. eng. fit?) van weghebben (De Vries, 70); het Vlaamsch den feem hebben van iets (De Bo, 317 b) en het Hagelandsche den trek van iet eweg hämme (Tuerlinckx, 634); in het Antw. Idiot. 1263: den trek van iets vasthebben. Zie no. 806 en vgl. dial. hd. den Schlag haben von etwas; eng. to get the hang of a th.; fri. hy hat er aerdich de slinger fen; Afrik. hy het die slag om dit te doen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal