Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beet - (hap, het bijten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beet 2 zn. ‘hap, het bijten’
Mnl. beet ‘id.’ [1240; Bern.], bete ‘id.’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; nnl. nog (archaïsch) een bete broods.
Ablautend zn. bij het werkwoord → bijten.
Os. biti; ohd. biz (nhd. Biss ‘beet, wond’); ofri. bite; oe. bite (ne. bit ‘bit van een paard’); on. bit; < pgm. *biti- ‘het bijten, splijten’. Klankwettig is mnl. bete ook cognaat met een serie woorden die ‘het afgebetene, afgebroken stuk’ betekenen: mnd. bete; ohd. bizzo ‘hap’ (mhd. bizze; nhd. Bissen); ofri. bita; oe. bita ‘afgebroken stuk’ (ne. bit ‘stukje’); on. biti (nzw. bett, bit); < pgm. *bita(n), afgeleid van hetzelfde bītan- ‘bijten’. Deze betekenis is echter bij mnl. bete niet geattesteerd.
Pas in de 17e eeuw breidt de betekenis van bete, beet zich uit naar ‘stukje; kleine hoeveelheid’. Daarvan is nu alleen de archaïsche uitdrukking een bete broods over; zie verder het verkleinwoord → beetje, waarop deze betekenis is overgegaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beet* [hap] {bete 1201-1250} van bijten. De uitdrukking iem. beethebben of beetnemen is ontstaan uit in de beet hebben, d.w.z. om hem te bijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

beet znw. m., mnl. bete. Hier zijn twee woorden te onderscheiden: 1. germ. *biti- m. vgl. os. biti, ohd. biz, ofri. bite, biti, oe. bite en 2. *bitan- m. ohd. bizzo, oe. bita, on. biti. — Zie: bijten en gebit.

Hetzelfde woord in uitdrukkingen als beet hebben, beet nemen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

beet I znw., mnl. bēte v.; deze vorm komt archaïseerend nog voor. In bēte, dat oorspr. mannelijk was, zijn 2 woorden samengevallen: 1. wgerm. *biti- m., ohd. biʒ (nhd. biss), os. biti, ofri. bite, -i, ags. bite m. (on. bit is o. a-stam), een verbaalnomen bij bijten; vgl. schrede, snede, scheet, — 2. germ. *ƀitan- m., ohd. biʒʒo (nhd. bissen), ags. bita (eng. bit), on. biti m. “beet”. Vgl. gebit.

beet II bijw., in beet hebben enz. In het Nnl. ontstaan uit uitdrukkingen als in de beet hebben, waar beet = beet I is. Deze adverbiale functie van beet (resp. bit) is ook fri. en ndd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

beet 2 m. (hap, aas), Mnl. bete, Os. biti + Ohd. biʒ (Mhd. biʒ, Nhd. biss), Ags. bite, On. bit, van denz. stam als ’t meerv. imp. van bijten. Hgd. bissen (Ohd. biʒʒo) en Eng. bit (Ags. bita) zijn -n-stammen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

beet, zn.: plaats waar de draden van de bovenste weverskam in de draden van de onderste kam grijpen. Afgeleid van het ww. bijten. Bijten dus in de bet. ‘grijpen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beet ‘hap’ -> Vastelands-Noord-Fries beet ‘zonder slag (kaartspel)’; Negerhollands bit ‘hap’; Sranantongo beti ‘hap; beet hebben’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beet* hap 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bheid- ‘spalten’

Ai. bhinádmi (Partiz. bhindánt- = lat. findēns, bhinná-ḥ neben bhittá-ḥ = lat. fissus), bhḗdāmi ‘spalte, schnitze, zerbreche usw.’, bhidyátē ‘wird gespalten’;
wahrscheinlich gr. φείδομαι (redupl. Aor. hom. πεφιδέσθαι) ‘womit knausern, sparsam umgehn; schonen; sich einer Sache entziehen’ (Gdbed. z. T. vielleicht ‘scheide mich von etwas = entziehe mich’, vor allem aber ‘abzwacken, knauserig, nur wenig wovon sich abschneiden’);
lat. findō, -ere, fidī (wohl Aor. wie ai. Opt. bhidēyam, ags. bite, ahd. bizzi ‘du bissest’), fissum ‘spalten’, fissum n., fissūra f. ‘Spalt’;
got. beitan ‘beißen’, aisl. bīta ‘beißen; eindringen (vom Schwert u. dgl.)’, as. ags. bītan, ahd. bīzzan ‘beißen’ (= ai. bhḗdati, gr. φείδομαι); Kaus. aisl. beita ‘beißen lassen, weiden lassen’, ags. bætan ‘zügeln, jagen’, ahd. mhd. beizen ‘ds., beizen’, aisl. beizl ‘Gebiß, Zaum’ (*baitislan), ags. gebǣtu N. Pl., gebǣtel n. ‘Gebiß’; aisl. biti m., ags. bita m. ‘Bissen’, ahd. bizzo m., bizza f. ‘Bissen, Keil’; got. baitrs ‘bitter’ (‘beißend von Geschmack’); ablautend aisl. bitr ‘beißend, scharf, schmerzlich’, ags. biter, bitter, as. ahd. bittar ‘beißend, scharf, bitter’; aisl. beiskr ‘echarf, bitter’ (*bait-skaz); got. beist ‘Sauerteig’ (*bhei[d]-sto-); ags. bitela ‘beißend’, bitel ‘Käfer’, engl. beetle; aisl. beit n. ‘Schiff’ (ursprüngl. ‘ausgehöhlter Einbaum’ zu aisl. bite ‘Balken’), ags. bāt m. ‘Boot’, mengl. bōt, daraus entlehnt nhd. Boot und vielleicht aisl. bātr ds.; mnd. beitel, bētel ‘Meißel’, mhd. beizel ‘Stachel’ (: ai. bhēdurá-ḥ, bhēdirá-ḥ ‘Donnerkeil’).
Daß bheid- Erweiterung zu *bhei(ǝ)- ‘schlagen’ sei, scheint möglich.

WP. II 138 f., WH. I 500 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal