Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedoening - (gedoe; bedrijfje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bedoening zn. ‘gedoe, drukte’; ‘bedrijfje, boerderij’
Nnl. bedoening ‘beslommering’ [1896; WNT bedoeling], ‘gedoe, drukte’ [1898; WNT bedoen], ‘bedrijfje, boerderij’ [1961; Dale].
Afleiding met → -ing van het werkwoord bedoen ‘voorzien van, bedekken met’, dat zelf weer een afleiding is met → be- van het werkwoord → doen. Van bedoen bestaat ook een betekenis ‘voorzien (in)’, o.a. in dial. hem bedoen kunnen ‘zich kunnen redden’ (WNT); waarschijnlijk hebben die of soortgelijke betekenissen zich ontwikkeld tot ‘druk bezig zijn, aan het redderen zijn’. Bedoening in de betekenis ‘bedrijfje, boerderij’ is dan een plek waar men het werk doet waarmee men zich kan bedruipen, of waar men druk bezig is.

EWN: bedoening zn. 'gedoe, drukte'; 'bedrijfje, boerderij' (1896)
ANTEDATERING: in eene goede bedoening 'in een goede situatie' [1788; Byzonderheden 4, 112]
{De eerste attestatie moet luiden: bedoening "gedoente, rommel" [1862; WNT bedoeling].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal