Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bedibberen - (praten (over))

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bedibberen [praten (over)] {1845} < jiddisch medibberen, eig. medabberen < hebreeuws mədabbēr [sprekend], vgl. jiddisch dibber [taal, spraak] < hebreeuws dibbūr [rede, woord].

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

bedibberen zeggen, praten; bedonderen. In 1845 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, in de vormen dibberen en gedibberen, beide met als betekenis ‘spreken’. In 1906, in De Boeventaal van Köster Henke, voor het eerst aangetroffen in de vorm bedibberen. Köster Henke geeft als betekenissen ‘zeggen’, ‘praten’, ‘vertellen’ en ‘bedotten’, en als voorbeeldzin: ‘Noppes bedibberen’ voor ‘houd je mond’. Ook aangetroffen als medibberen, dibberen en dabberen. Via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuwse medabbeer (‘sprekend’).
— Neen! m’n lieve mensch, ik tik nooit op of aan de schaal en m’n gewicht is geijkt. ’k Heb ’t goddank niet noodig om m’n evennaaste te bedibberen. ¶ Justus van Maurik, Amsterdam bij dag en nacht (1897), p. 53
— Een Amsterdammer zegt: ik heb je in de gaten, in de ramen, in de kieren, in de smiezen, in de lamp, in ’t schot; hij bedoelt: ik laat me niet bedotten (bedibberen), ik begrijp wel waar je heen wilt, ik snap je. ¶ J. Wolthuis, ‘Amsterdamsche woorden’, in: Vragen van den dag (1919), p. 765 e.v.
— ‘Ik zal me es mesjokke van je late make.’ ‘As ik je bedibber, je doet goed.’ ¶ Alex Booleman, Verdoemenis (1931), p. 35. De schrijver verklaart de betekenis (‘als ik je zeg’) in een woordenlijst.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bedibberen (Jiddisch medibberen)

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

medibberen spreken; lou medibberen, niks zeggen; hebr. stam met ned. uitgang; eigenl. medabberen; ook barg. vgl. dibber.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

bedibberen barg. < jidd. medibberen = praten; lou bedibberen! = niks zeggen! mondje dicht!

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal