Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bederven - (slechter maken; (ver)rotten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bederven ww. ‘slechter maken; (ver)rotten’
Onl. met ander voorvoegsel farduruon (3e pers. pret. mv.) ‘(zij) gingen onder’ [10e eeuw; W.Ps.], zie verder → verderf; mnl. bederuen (sterk werkwoord) ‘verkommeren, te gronde gaan’ [1265-70; CG II, Lut.K], dat se die motten niet en bederven ‘dat de motten ze niet bederven’ [1351; NW-P], ende dus bedervet tstuc ‘en zo verrot het stuk’ [1351; MNW-P]; ook zwakke vormen als bederfde.
Afleiding met → be- van het Proto-Germaanse werkwoord *-derban-.
Mhd. verderben ‘omkomen, bederven’ (nhd. ‘vergaan, bederven’); ofri. ūrdera, fordera ‘te gronde richten’ (nfri. bedjerre ‘bederven’). Daarnaast zonder voorvoegsel: oe. deorfan ‘arbeiden, in gevaar zijn, te gronde gaan’ en het causatief dierfan, dyrfan ‘kwetsen, in gevaar brengen’. Aanvankelijk was dit werkwoord sterk; de betekenis was ‘in het ongeluk storten, verwoesten’. Het daarvan afgeleide causatieve, onovergankelijke werkwoord *-darbjan- was zwak en had als betekenis ‘te gronde gaan, sterven’. De betekeniscombinatie ‘werken’ en ‘te gronde gaan’ zoals in het Oudengels is opmerkelijk.
Buiten het Germaans is Litouws dirbu ‘ik werk’ verwant, al wijst het Litouwse accent eerder op *dherb-. Gezien de beperkte verspreiding van het woord is het misschien van niet-Indo-Europese oorsprong.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bederven* [rotten, beschadigen] {1265-1270 in de betekenis ‘in het verderf storten, schade lijden, te gronde gaan’} vgl. voor het grondwoord oudengels deorfan [arbeiden, omkomen]; de begrippen verderven en arbeiden liggen soms dicht bijeen, vgl. middelnederlands arbeit [werk, inspanning, leed, foltering]; buiten het germ. litouws dirbti [werken] → verderven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bederven ww., mnl. bederven st. en zw. ww., 1. trans. ‘in het verderf storten, ruïneren; verwoesten, plunderen’ en 2. intrans. ‘schade lijden aan het lichaam, om het leven komen, sterven, te gronde gaan, verloren gaan’ (eig. was het intrans. ww. sterk, het trans. zwak). Elders met andere voorvoegsels, zoals onfrank. fardervan ‘omkomen’, mnd. vorderven ‘omkomen, te grondegaan’, mhd. verderben ‘te gronde gaan, ‘omkomen, sterven’, owfri. urdera ‘omkomen’ (sterke ww.) en mnd. vorderven, mhd. verderben ‘te gronde richten, doden, bederven’. Men vergelijkt verder oe. deorfan (st. ww.) ‘arbeiden, in gevaar verkeren’. — lit. dárbas ‘arbeid’, dirbu, dirbti ‘werken’ (IEW 257).

Opvallend is de beperking tot het litaus en westgerm.; in zulke gevallen is te overwegen of het woord niet uit de substraattaal van Noordeuropa afkomstig is; de onderworpen voorbevolking werd in de toestand van slaven gebracht. — Voor de overgang van ‘werken’ voert FW 38 aan gr. kámnō ‘zich inspannen’ naast hoi kamóntes ‘de gestorvenen’ of oi. śamáti ‘zich moeite geven’ naast śāmyati ‘rustig worden, bedaren’. Dat echter de harde slavenarbeid als een ‘te gronde richten’ opgevat kon worden, ligt voor de hand. — J. Schrijnen, Ts. 20, 1901, 309 wil het woord verbinden met sterven, wat semantisch zeer aanvechtbaar is; de idg. wt. *ster(p) betekent immers ‘stijf zijn’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bederven ww., mnl. bederven “in het ongeluk brengen, dooden, verwoesten, te gronde gaan, sterven, verminkt worden”. De sterke flexie (praet. beda(e)rf, bederf, bedorf, verl. deelw. bedorven) is reeds mnl. veel gewoner dan de zwakke (bederfde, bederft). Oorspr. was het intrans. ww. sterk, het trans., een causatief-formatie, zwak. Sterk zijn onfr. fardërvan “omkomen”, mhd. verdërben “te gronde gaan, omkomen, sterven”, mnd. vordërven “te gronde gaan, omkomen”, ook reeds trans., owfri. ûrdëra (praet. ûrderf) “te gronde gaan, omkomen”, zwak mhd. verdėrben “te gronde richten, dooden”, mnd. vordėrven “te gronde richten, verwoesten, dooden, bederven”. Ofri. ûr-, fordera “te gronde richten” komt alleen in het praes. en den infin. voor. In het Nhd. zijn beide ww. samengevallen. De samenst. met ver- bestaat ook in het Mnl. en Nnl., die met be- ook in het Mnd. (= “berooven. plunderen”) en Nnd. Dat de oorspr. anlaut niet þ was, blijkt uit de onfr. en ofri. vormen. De mhd. vorm met d (’t woord komt ohd. niet voor) zal wel rijn- of middelfrankisch zijn. Een zuidelijker vorm verterben komt mhd. voor. Verwant zijn ags. deorfan “arbeiden, in gevaar zijn”, lit. dárbas “arbeid”, dírbu, dírbti “werken”. Voor de bet. vgl. gr. káunō “ik span mij in”: hoí kamóntes “de gestorvenen”, oi. çámati “hij geeft zich moeite, maakt gereed”: çā́myati “hij wordt rustig, bedaart, gaat uit”. Ook os. derƀi “krachtig, vijandig, boosaardig”, on. djarfr “moedig, vermetel” kunnen verwant zijn.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bederven. Evenals het sterke continentale ww. = ags. deorfan “zich aftobben, in gevaar zijn, te gronde gaan” is, zoo is het zwakke = ags. dierfan “in gevaar brengen, het iemand lastig maken”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bederven. Ags. deorfan ‘arbeiden, in gevaar zijn’ is sterk; bij de zwakke ww. van het continent sluit zich aan ags. dyrfan ( = dierfan) ‘kwellen, last aandoen, in gevaar brengen’ (v. Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bederven o.w., Mnl. bederven, bedaerven: nergens elders; daarnevens Nndl. en Mnl. verderven, Mhd. en Nhd. verderben, van Ohd. derb (Mhd. derp, Nhd. derb), Ags. đeorf (Eng. therf), On. þjarfr = ongezuurd; geen verband met derven, durven (z.d.w.); in ’t Mnl. bestond ook een bederven = behoeven en bederve = behoefte, die van derven afgeleid zijn. Er is oorspr. een sterk en een zwak ww. bederven, maar beide zijn in het sterke saamgevallen; vergel. barnen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1bederf ww. Ook bederwe.
1. Beskadig, onbruikbaar of slegter maak. 2. Laat agteruitgaan, versleg, ontaard. 3. Stout maak deur toegewendheid. 4. Sleg of vrot word. 5. Verydel, belemmer.
In bet. 1 - 4 uit Ndl. bederven (al Mnl. in bet. 1, ongeveer 1600 in bet. 2, 1782 in bet. 3). Bet. 5 is 'n leenbetekenis van Eng. spoil (1578) of het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm bederwe.
D. verderben (13de eeu).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bederven. Een correspondent uit Etten-Leur kent als variant van de eerste regel van het verwensingsvers stik, verrek, verrot, verteer: stik, bederf, verrot, verteer. De emotionele betekenis van de gebiedende wijs bederf is ‘ik heb een vreselijke hekel aan je, ik veracht je’. In Sassenheim noteerde ik voorts sterf en bederf!

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bederven ‘beschadigen’ -> Deens bedærve ‘beschadigen, aan bederf onderhevig zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bederva, bedervet ‘aan bederf onderhevig, bedorven’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands bederf, bederv, bǝderǝf ‘beschadigen, vergaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bederven* beschadigen 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal