Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

beambte - (ambtenaar, functionair)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

beambte zn. ‘ambtenaar, functionair’
Vnnl. datmen ... eerder een Beampte, als onbeampte zou ontmoeten ‘dat men eerder iemand met een ambt dan zonder ambt zou tegenkomen’ [1647; WNT beambt]; nnl. de Ontvangers en andere Financieele Beambten [1798; WNT plicht], burgerlijke beambten en officieren [1808; WNT waaronder].
Zelfstandig gebruikte vorm van het bn. beambt ‘van een ambt voorzien’ (vnnl. beampt zijn, beampte luyden [1600-50; WNT]), gevormd uit het voorv.be- en het zn.ambt, en mogelijk naar analogie van Duits (der) Beamte in gebruik gekomen.

EWN: beambte zn. 'ambtenaar, functionair' (1647)
ANTEDATERING: met beampten ende ghezelle [1606; Petrarca, 267v]
Later: de beambten ter secretarie [1642; iWNT aanblijven]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

beambte [functionaris] {1729} het zelfstandig gebruikt bn. beambt {1640}, dat het bn. van ambt is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† beambte znw. Het oudere Nnl. kende het bnw. beampt; het zelfstandig gebruik hiervan zal wel onder invloed van hd. der beamte zijn opgekomen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

beamb’te (de, -s), (i.h.b.:) 1. politie-agent. Vele jaren geleden stelde een beambte van Politie (een zekere Dorn) in een procesverbaal dat een aanrijding plaats gevonden had op de hoek van de Zwartenhovenbrugstraat en de Zwartenhovenbrugstraat. Rechter Carbière wees de beambte erop dat deze hoek niet bestond en ook niet kan bestaan (BN 120: 43; 1980). - 2. aanspreektitel voor politie-agent, door burger en door agenten onder elkaar in formele situaties (vooral tegenover meerdere). Beambte, stuur wagen 17 naarde Coppenamestraat, er staat een wagen daar gevaarlijk geparkeerd (R. Parabirsing in A&P 1980b: 4). - Etym.: AN b. = lagere ambtenaar, functionaris.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

beambte ‘functionaris’ -> Fries beämte ‘functionaris’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

beambte functionaris 1729 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal