Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bazuin - (blaasinstrument)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Voor een uitvoerige verhandeling over de etymologie van bazuin, zie

In dit artikel bespreekt De Boer de Nederlandse woorden trombone, schuiftrompet en bazuin en voorgangers in andere Europese talen. De eerste Oudfranse attestatie van buisine stamt uit het Chanson de Roland (± 1080), waar het woord geassocieerd wordt met de Saracenen. Het is dan geen hoorn, zoals bij de Romeinen, maar een trompet. In Europa is er een gat in de documentatie tussen 500 en ± 1100, mogelijk door het verloren gaan van de benodigde metaaltechniek. Het Latijnse woord bucina blijft bekend door het voorkomen in bijbelteksten, maar het is niet duidelijk welke voorstelling ermee verbonden werd.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bazuin zn. ‘blaasinstrument’
Mnl. busine ‘herdershoorn, signaalhoorn, klaroen’ [1240; Bern.], bosine, busine ‘bazuin, ramshoorn’ [1285; CG II, Rijmb.], basune ‘bazuin’ [1399; MNW-P], basyn ‘bazuin’ [1465-85; MNW-R]; vnnl. basune, basoene, basuyne ‘herdershoorn’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Oudfrans bo(i)sine, buisine < Latijn bucīna, ouder būcina ‘herdershoorn, signaalhoorn’, vermoedelijk uit een samenstelling *bovi-cina, uit het zn. bōs (genitief bovis) ‘rund’, verwant met → koe, en een afleiding bij het werkwoord canere ‘zingen’ (verwant met → haan). Wrsch. had het instrument oorspr. de vorm van een runderhoorn of misschien waren de eerste instrumenten van een runderhoorn gemaakt, al werd er in de Romeinse Oudheid al geblazen op metalen hoorns. De overgang van -īne naar Nederlands -ūne > -uin is moeilijk te verklaren, maar een soortgelijke ontwikkeling doet zich ook voor bij → fornuis en kwansuis. De overgang van bo- naar Nederlands ba- is het resultaat van versterking van de voortonige klinker, zoals die ook voorkomt in diverse andere Franse leenwoorden (bijv.arduin, → katoen, → kantoor).
Mnd. bas(s)úne (> nzw., nde. basun); mhd. busúne, busíne (onder invloed van Luther nhd. Posaune, > ne. posaune [1724]); nfri. bazún, bazune.
Lit.: Heeroma 1960; K. Roelandts (1959), ‘Voortonige versterking’, in: Taal en Tongval 11, 230-236; F. Debrabandere (2004), ‘Voortonige versterking in het West-Vlaams’, in: Taeldeman, man van de taal, schatbewaarder van de taal (red. J. De Caluwe e.a.), 387-390

EWN: bazuin zn. 'blaasinstrument'; de vorm bazuin(e) (1599)
ANTEDATERING: basuyn [1477; iMNW strijtteken]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bazuin [soort trompet] {basine, bosine, busine 1201-1250} < oudfrans boisine, buisine [idem] < latijn bucina [hoorn], van bos [rund, koe] + canere [zingen, spelen, blazen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bazuin znw. v., mnl. basūne < ofra. boisine, buisine < lat. bucina ‘trompet’. Bij de overname zijn de klinkers veranderd: de o > a in voortonige lettergr. (zie: ajuin) en de i in een donkere vokaal (zie: fornuis en kwansuis).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bazuin znw., mnl. basûne, naast bosîne, basîne, busîne v. Uit ofr. boisine, buisine ontleend. Voor a uit o vóór den toon vgl. bobijn, ajuin. De û heeft men uit een fr. dial. vorm willen verklaren, die dan ook aan mhd. busûne, basûne, bosûne v. (nhd. posaune; mhd. ook busîne), mnd. bas(s)ûne v. “bazuin” kon ten grondslag liggen; niet waarsch. In geen geval hoeven wij ontl. in ’t Ndl. uit het Duitsch aan te nemen: vgl. fornuis, kwansuis, eveneens ndl. woorden met ui uit een niet-labiale vocaal. Fr. buisine komt van vulgairlat. bŭcîna “jachthoorn” (naast bûcĭna).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bazuin v., Mnl. basine, bosine, uit Ofr. bosine, buisine, van Lat. bucinam (-a), Gr. bukánē = trompet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1basuin s.nw. (musiek)
1. Blaasinstrument, trompet van koper, silwer, ens. 2. Orrelregister, bestaande uit 'n reeks opeenvolgende orrelpype wat van groot tot klein gerangskik is, en wat gelykvormig in toonkleur en klanksterkte is.
Uit Ndl. bazuin (Mnl. basune, basine, bosine in bet. 1). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. bazuin uit Oudfrans boisine, buisine 'basuin' uit Latyn bucina 'horing', 'n afleiding van bos 'os' en canere 'sing, speel, blaas', so genoem omdat die horings van 'n os oorspr. as 'n basuin gebruik is.
Eng. bassoon (1727 - 1751), Fr. basson.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bazuin’ (de), muziek van (of zoals van) een bazuinkoor*, bij bijzondere gelegenheden, sedert kort ook indien mechanisch voortgebracht. Operator* Myste Claack draait passende muziek, tot Uw genoegen. Bazuin en Christelijke muziek bij verjaringen* (DWT 7-3-1981, in adv.). - Etym.: Vermoedelijk voortgekomen uit bazuinkoor*: z.a. AN b. = soort blaasinstrument, niet D Posaune (= trombone). - Samenst. ook: grootbazuin*.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bazuin (Oudfrans boisine)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bazuin ‘blaasinstrument’ -> Deens basun ‘blaasinstrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors basun ‘blaasinstrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds basun ‘blaasinstrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins pasuuna ‘blaasinstrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests pasun ‘blaasinstrument’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools bazuna ‘soort trompet met zeer krachtige klank’ (uit Nederlands of Duits); Kroatisch bazuka, bazooka ‘draagbaar antitankwapen; blaasinstrument’ <via Amerikaans-Engels>; Macedonisch bazuka ‘draagbaar antitankwapen’ <via Amerikaans-Engels>; Servisch bazuka ‘draagbaar antitankwapen’ <via Amerikaans-Engels>; Sloveens bazuka ‘draagbaar antitankwapen’ <via Amerikaans-Engels>; Bulgaars bazuka ‘draagbaar antitankwapen’ <via Amerikaans-Engels>; Grieks mpazoukas /bazoukas/ ‘draagbaar antitankwapen’ <via Amerikaans-Engels>; Indonesisch bazoka ‘draagbaar antitankwapen’ <via Amerikaans-Engels>; Amerikaans-Engels bazoo ‘waffel, mond’; Amerikaans-Engels bazooka ‘draagbaar antitankwapen; muziekinstrument’; Negerhollands basyn ‘blaasinstrument’; Sranantongo bazuin ‘orkest met blaasinstrumenten; schuiftrompet’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels bazoo, mond, waffel (Craigie, DARE, Webster).
- Verbastering van Nederlands bazuin ‘soort trompet of hoorn’; overgenomen in de negentiende eeuw en nog algemeen in gebruik als slangwoord.
* De betekenissen die Craigie vermeldt, tonen de betekenisontwikkeling aan. Aanvankelijk is het woord overgenomen met de Nederlandse betekenis ‘(speelgoed)trompet’; en vandaar als naam voor een krant, The Bazoo. Hieruit ontstond de betekenis ‘grootspraak’: het luid verkondigen - ‘trompetteren, rondbazuinen’ - van de eigen roem; he blows his own bazoo voor iemand die opschept en zich opdringt. De volgende stap is naar dat waarmee men pocht: de mond. De chronologische ontwikkeling van de betekenissen blijkt ook uit onderstaande citaten uit Craigie:
1877 Blowin’ his bazoo, gasconade.
1884 People ... listen to the silvery tinkle of his bazoo.
1888 Among the far-west newspapers, have been, or are, ... The Bazoo, of Missouri.
1902 You are jest my sort of a Christian - better’n me, a sight, fer you don’t shoot off yore bazoo on one side or t’other.
1906 We’ve had enough of your bazoo.
1906 Shut up your bazoo.
In het Amerikaans-Engelse slang worden bazoo ‘mond’ en de uitdrukking shooting off one’s bazoo voor ‘overdreven en opschepperig praten’ nog steeds gebruikt. Dit zijn allemaal eigen ontwikkelingen van het Amerikaans-Engels, want in het Nederlands betekent bazuin alleen maar ‘trompet’.
DARE vermeldt dat deze betekenissen ook voorkomen in het regionale Amerikaans-Engels, waarbij die van ‘opschepperij’ tegenwoordig vooral in het westen gebruikt wordt. Interessant is nog een betekenis die alleen regionaal bekend is, namelijk die van ‘achterwerk’. Deze betekenis is als spotnaam genoteerd, ook uitgesproken als bazoon of bazookas. Hoe deze betekenis is ontstaan, is niet direct duidelijk.
Voorts vermeldt DARE de regionale benaming bazoo wagon, met een citaat uit 1977 waar als verklaring wordt gegeven: ‘de laatste wagon van een goederentrein’. Bazoo wagon is gevormd van bazoo ‘mond’ en wagon; waarschijnlijk ook beïnvloed door zoo, en in klank door caboose (zie caboose in 2.8).
Van bazoo is in het Amerikaans-Engels het woord bazooka afgeleid als naam voor een trombone-achtig instrument, dat omstreeks 1935 algemeen bekend is geworden door de Amerikaanse komiek Bob Burns. In 1942 werd de naam van het muziekinstrument overgedragen, vanwege de vormgelijkheid, op ‘een buisvormig wapen om kleine raketten mee af te vuren’. Met die betekenis is het woord bazooka door vele talen, waaronder het Nederlands, geleend uit het Amerikaans-Engels.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bazuin blaasinstrument 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal