Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

basilisk - (slangdraak, fabeldier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

basilisk zn. ‘slangdraak, fabeldier’
Mnl. basiliscus ‘slang’ [1240; Bern.], basilicus ‘basilisk’, basiliske (mv.) ‘basilisken’ [beide 1287; CG II, Nat.Bl.D], basiliscus ‘basilisk’ [1462; MNW-P], ook gespeld basilis, basilisc basilische, balisische; vnnl. basilisck ‘koninkje, prins’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Latijn basiliscus < Grieks basiliskós, verkleinwoord van basileús ‘koning’, dat beschouwd wordt als leenwoord van onbekende herkomst. Van hetzelfde Griekse woord zijn ook → basilicum en → basiliek afgeleid.
De oude Grieken gebruikten het woord, dat letterlijk ‘kleine koning’ (en ook wel ‘onderkoning’ of ‘prins’) betekent, voor een Aziatische hagedis met een witte vlek op zijn kop die op een kroon leek (zoals ook in Plinius' beschrijving in Naturalis Historia). In de middeleeuwse literatuur werd het tot een fabeldier met het lichaam van een slang en de kop, poten en vleugels van een haan. Dit beest was in Engeland en Frankrijk al bekend onder de naam cockatrice (die ook daar door basilisc en basilic verdrongen is; varianten zijn Engels, Frans en Nederlands basilicoq, basilcoc). Volgens het bijgeloof was het dier dermate giftig dat zijn adem of alleen al zijn blik iemand kon doden. Behalve voor dit fabelmonster wordt de naam tegenwoordig ook gebruikt voor een onschadelijke Zuid-Amerikaanse boomhagedis (soorten van het geslacht Basiliscus).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

basilisk, basiliscus [fabeldier] {basilisc, basiliscus [koningsslang] 1201-1250} < latijn basiliscus < grieks basiliskos, verkleiningsvorm van basileus [koning]; de mythische basilisk werd zo genoemd omdat hij een kroontje op de kop zou hebben → basiliek.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

basilisk znw. m., de naam van dit fabeldier, met het lichaam van een slang, de kop, vleugels en poten van een haan en welks blik dodelijk was is overgenomen < lat. basiliscus < gr. basilískos (afgeleid van basileús ‘koning’), naam voor de aziatische koningshagedis (Plinius, Nat. Hist. 8, 33 bericht, dat men het dier zo noemde, omdat een witte vlek op de kop het als gekroond er uit deed zien). Het gr. woord betekent eig. ‘kleine koning.’

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

basilisk s.nw.
1. N.Afr. adder waarvan die blik, volgens bygeloof, dodelik is. 2. Onskadelike boomakkedis uit S.Amer. en Asië.
Uit Ndl. basilisk (al Mnl. in bet. 1, 1857 - 1858 in bet. 2).
Ndl. basilisk uit Latyn basiliscus uit Grieks basiliskos, die verkleinw. van basileus 'koning'. Die slang word so genoem omdat die mite bestaan dat hy 'n kroontjie op sy kop gehad het. Die akkedis met sy kamagtige aanhangsels aan die kop, rug en stert word so genoem omdat dit aan die mitologiese slang herinner.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

baskelis(k): (dial. en plat v.) “adder” (Vipera cerastes, fam. Viperidae) en “akkedis” (Basiliscus americanus, fam. Iguanidae), maar veral vir “allerlei skadelike en gevaarlike diertjies in die volksgeloof” (kom bv. uit ’n bep. soort eier en sy aanblik is dodelik), -sk- soos by aapskeloeder; Afr. en Ndl. gew. basilisk (reeds Mnl. basilisc e.a.) via Lat. basiliscus uit Gr. basiliskos.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Basilisk is een addersoort in ’t noorden van Afrika, waarvan de Ouden geloofden, dat niet alleen de beet vergiftig was, maar ook, dat het dier door zijn adem, zelfs door zijn blik iemand kon dooden. (Basiliskenblik.) – In de wapenkunde is de basilisk (als adellijk wapen dus) saamgesteld uit den kop, de borst en de pooten van een haan, de tong van een slang en de vleugels van een vleermuis.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

basilisk fabeldier 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal