Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

barok - (grillig gevormd), (stijlperiode)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

barok bn. ‘grillig gevormd’, zn. ‘stijlperiode’
Nnl. barok (bn.) ‘grillig gevormd’ [1701; Marin], baroque ‘grillig, zonderling’ [1793; WNT Aanv.], baroque (zn.) ‘bepaalde muziekstijl’ [1795; WNT Aanv.], baroque ‘stijlperiode in de kunst’ [1865; WNT Aanv.].
Evenals Duits barock ontleend aan Frans baroque ‘zonderling, grotesk’, oorspr. in de verbinding perle baroque ‘onregelmatig gevormde parel’ [1531] < Portugees barocco ‘onregelmatige parel’ < Keltisch barros ‘punt, top, steen’. De Portugese betekenis is dus oorspr. ‘steentje’.
Het woord was een vakterm van de juweliers. Later werd het gebruikt als pejoratieve aanduiding voor de kunststijl uit de 17e en 18e eeuw, die als onregelmatig en overladen werd beschouwd door aanhangers van het latere classicisme. Als algemene term voor die kunstperiode is het woord in de 19e eeuw gebruikelijk geworden, waarbij de Nederlandse term wrsch. aan Duits Barock werd ontleend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

barok [grillig gevormd, stijlperiode] {baroque [grillig gevormd] 1824} < frans baroque, als stijlperiode eerst 19e-eeuws < portugees barróco [onregelmatig gevormde parel], van kelt. herkomst; barok als naam voor de stijlperiode < hoogduits Barock.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

barok znw. o., < fra. baroque ‘belachelijk, zonderling’, dan naam van een kunststijl. Het fra. woord kwam in de 16. en 17de eeuw in de verbinding perle barroque uit het port. barroco ‘onregelmatige parel’ gevormd van een keltisch woord *barros ‘punt, top’ dan ook ‘steen’, zodat barroco eigenlijk ‘steentje’ betekent.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1barok b.nw.
Grotesk, grillig, fantasties, oorlaai.
Uit Ndl. barok (1824).
Ndl. barok uit Fr. baroque uit Port. barróco 'onreëlmatig gevormd'.
D. barock (18de eeu), Eng. baroque (1765).

2barok s.nw.
Kunsstyl in Europa in die 17de en 18de eeu as reaksie teen die beheerste klassisisme en wat soms gekenmerk is deur geswolle styl, swier en oorlading.
Uit Ndl. barok (1875).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

barok ‘grillig’ (Frans baroque); ‘bepaalde stijlperiode’ (Duits Barock)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

barok ‘bepaalde stijlperiode’ -> Papiaments baròk ‘bepaalde stijlperiode’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

barok grillig gevormd 1824 [WEI] <Frans

barok bepaalde stijlperiode 1879 [WP, dl. 12, 299] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal