Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bargoens - (onverstaanbare taal, dieventaal)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

De herkomst van het Nederlandse woord Bargoens (Paul Van Hauwermeiren in Taal & Tongval 71 (2019), 61–88, voor noten, bibliografie en addendum zie https://doi.org/10.5117/TET2019.1.VANH.

1. Inleiding

De herkomst van het woord Bargoens is nog altijd niet geheel duidelijk. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (Philippa e.a., 2003-2009) vermeldt twee pogingen tot verklaring:

In een bron uit 1769 wordt als opschrift van een Bargoense woordenlijst de term Bourgondisch gebruikt en het is mogelijk dat het woord uiteindelijk daarop teruggaat. Men vergelijke de aanduiding koeterwaals met Waals, en Duits Kauderwelsch ‘koeterwaals’ en Rotwelsch ‘Bargoens’ met Duits welsch ‘Romaans’, ook hier wordt dus het Romaans als iets onverstaanbaars aangeduid. Een andere verklaring houdt in dat het achtervoegsel -sch als aanduiding voor een taalnaam van jongere datum is en dat de oorspronkelijke vorm *bargoen is overgenomen uit Frans baragouin ‘koeterwaals’ [1394; Rey]. Dat woord verschijnt het eerst in West-Frankrijk en werd pas populair na de annexatie van Bretagne bij Frankrijk. Men neemt daarom aan dat het om een Bretons woord gaat, gevormd uit woorden bara ‘brood’ en gwin ‘wijn’, die door Bretonse pelgrims in de herbergen zouden zijn gebruikt.’

In deze bijdrage wijs ik de twee pogingen tot verklaring van de hand. Ze houden onvoldoende rekening met de varianten van Bargoens in Bargoense bronnen en in publicaties over het Bargoens. Ik onderneem in deze bijdrage een nieuwe poging tot verklaring. Ze is gebaseerd op de vele varianten van Bargoens en van het synonieme Brigade. Bijkomende evidentie voor de voorgestelde verklaring is te vinden in de herkomst van de vorm- en betekenisverwante woorden Gargoens en Arragoens, respectievelijk uit de twaalfde en uit de zestiende eeuw.

2. Bargoens, varianten en vorm- en betekenisverwante woorden

2.1 Varianten van Bargoens Van Bargoens komen in bronnen van en publicaties over het Bargoens een twintigtal vorm-, uitspraak- en spellingvarianten voor. Zowat de helft van die varianten is opgetekend uit de mond van personen die zelf de taal spraken. De varianten worden vermeld als Bargoens woord. Ze komen vooral voor als lemma in lijsten van Bargoense woorden. Een enkele keer worden ze geciteerd in een tekstpassage over hoe de Bargoens sprekende informanten zelf de naam van hun geheime groepstaal uitspraken. Dergelijke tekstpassages geven bijna altijd twee of meer varianten op. Dat komt vermoedelijk doordat varianten uit meer dan een Bargoens dialect zijn opgetekend.

Baggoens, Borgoens (De Gelukte List of Bedrooge Mof, 1689) Eelhart:
‘Om datze Borgoens kappen, meenenze misschien
Dat er niemand knooit als zij’
Jan:
‘Hij kapt Baggoens!
Laaten we ‘thachje laaten glippen’
Bragoens, Borgoens (Séwel, 1691)
W. Séwels’ Engels woordenboek geeft op onder To Cant: ‘een spraak gebruyken gelyk De Roovers, gaauwdieven, en heydens Bragoens kappen, όf Borgoens questen’.
Borgoens (processtukken Brabantse Bende, ± 1800)
‘Dat voorts dezen Gev.e nog eenige vreemde woorden gebruikende, hij Gev.e heeft gevraagd: ‘Wat is dat?’ Beantwoord: ‘wel weet je dat niet, dat is borgoens”.
Bourgoendsch (Courtmans, 1837)
‘By elkander wezende, spreken zy byna algemeen en uitsluitelyk deze tael, die zy het Bourgoendsch (Bourgondisch) heeten’.
Bargoens, Bourgonsch, Burgoens (Verwoert, 1860)
‘Deze taal wordt ook genoemd: Gielerstaal – Gielerspraak; Haltaal (!); Dieventaal; Hargots; Bargoens – Burgoens – Bourgonsch; Roodwalsch; Landlooperstaal; Zwartjestaal’.
Borgoensch (Staes, 1883)
‘Men zegt ‘Het Borgoensch’ en velen geloven dat zij (de dieventaal) gesproken werd door de Burgondiërs, toen deze hier, vier eeuwen geleden, onder het Huis van Burgondië, te lande verbleven, maar die stelling is onmogelijk, daar de Bourgondiërs, zooals andere Franschen, toch Fransch zullen gesproken hebben.’
Borgans (l’Abbé, 1893)
borgans, Bargoens’. Lemma in een lijstje van woorden uit het ‘Waals’ Bargoens, opgetekend door Bonav. Buckinx in Kortessem, een gemeente in Zuidwest-Limburg.
Bargoens, Borgoens, Burgoems (De Keyser, 1916)
‘De benaming van hun geheimtaal is den Bargoensch-sprekenden wel bekend (ze spreken uit: bargoens, borgoens, burgoems), maar ze wordt door hen nooit als dusdanig gebruikt. Bij een kennismaking zeggen ze: ‘preuvelde of smoesde brigade, bink?’ (Spreek je ‘brigade’ (d.i. Bargoensch), man (vriend?)’.
Bargoens, Belgoens, Bolgoens, Bourgonds, (Moormann, 1932)
‘Een eigen verklaring van het woord kan ik niet geven. Als ik de sprekers vroeg hoe ze hun taal noemden, kreeg ik deze antwoorden: Bargoens, Bolgoens, Bourgonds, Belgoens.’ De informanten van Moormann waren voornamelijk zwervers in de Saksische provincies van Nederland, in Noord-Brabant en Nederlands Limburg.
Borgoens (Endt, 1969)
‘Toen ik aan de gewezen rechercheur K. Groen, de schrijver van De groene deur, Kamer 13 en andere werkjes vroeg: denkt u dat de zware jongens zelf het woord Bargoens ook kennen en gebruiken (...), dacht hij van niet of nauwelijks, maar daarbij sprak hij van Borgoens, alsof ik dat ook zelf zojuist gezegd had. Het bleek dus, dat hijzelf het woord wel kende in zijn bij het volk gebruikelijke wisselvorm’. (o.c., p. 9).

De voorbije vijftig jaar zijn enkele artikelen over een Bargoens dialect gepubliceerd waarin een woordenlijst is opgenomen. De dialectische variant van Bargoens komt erin voor als lemma in de woordenlijst of wordt vermeld in de tekst van het artikel.

Bargoens, Borgoens, Bragoens, (Endt, 1972)
‘Bargoens, ook Bragoens en Borgoens, (volgens de meest gebruikelijke-doorsnee-opvatting:) ‘dieventaal’’.
Burgons (Goussey, 1973) Watou
‘Burgons van Watou’
Bregoenst (Dewulf, 1980) Sint-Niklaas
Willy Barbier, herbergier in de Ankerstraat, aan wie Marcellijn Dewulf bij een bezoek gevraagd had Bargoens met hem te praten, schreef schertsend op een bierviltje: ‘Den bink die jaalt om megels bregoenst te prevelen, moet me kluppen besammelen, sons maast die baat. De bink maast genostert’. (Gij, die komt om mij Bargoens te doen spreken, moet pinten betalen, zo niet komt er niets van, geleerde man die gij zijt.)
Broegoens (Verminck, 1980) Veurne
Broegoens, dieventaal’. Lemma in het Mini-Woordenboek van het Bargoens.
Bergoensch (Tillie, 2000) Poperinge
Een vreemde hopplukker, een Nieuwmarkter uit Roeselare, zou omstreeks 1950 op een Poperings hoppeveld de parabel van de Verloren Zoon hebben verteld op ‘z’n Bargoens’. De leider van de groep vreemde plukkers, noemde die parabel ‘d’historie van de Verloeren Zeune op z’n Bergoensch’.
Begoons (Bakkes, 2007) Roermond
‘Begoons van Remunj’
Borgons (Bommarez, 2010) Roeselare
‘Over het Roeselaars dialect en het bargoens ofte ‘borgons’, de geheimtaal van de Nieuwmarkt, (...)’

Tot het einde van de negentiende eeuw komen Bargoens en verschillende varianten van dat woord vaak voor in publicaties van auteurs die over het Bargoens schreven, maar het zelf als buitenstaander misschien niet spraken. De variant van Bargoens gebruikten zij in de titel en/of op een of meer plaatsen in de tekst van een publicatie. Hieronder vermeld ik per variant de publicaties in de volgorde waarin ze zijn verschenen.

Bargoensch

1731 – Cartouche of de Gestrafte Booswigt
‘Nederduitsch en Bargoensch woordenboek’ en woordenboek ‘Bargoensch en Nederduitsch’. Aanhangsel met eigen paginering.
1845 – Susan, Proeve van vergelijking tusschen het Bargoensch en het Patois-Hebreeuwsch.
± 1860 – Verwoert, [een verzameling der Bargoensch- of dieventaal, ten dienste der justitie en politie].
1874 – Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon ‘Een andere naam voor deze taal [het limburgsche roodwaals dat bewesten de Maas wordt gesproken] is bargoensch, dat ook borgoensch, boergoensch, bourgoensch geschreven wordt. (...) De naam bargoensch wordt ook op het vlaamsche roodwaalsch toegepast’.(o.c., p. 416)
1882 – Ternest, Jan De Lichte en zijn Bende, naar de echtste bronnen ‘Deze taal, die zij Brigade noemden, en welke door het volk dieventaal geheeten werd, schijnt dezelfde geweest te zijn, als het zogenaamde Bargoensch, dat voor weinige jaren nog in een paar gehuchten van Zele veel gesproken werd, maar thans allengs schijnt te willen verdwijnen’.
1882 – Teirlinck & Stijn, Eene bijdrage tot de kennis van ons Bargoensch of Koeterwaalsch
1886 – Teirlinck, Woordenboek van Bargoensch
1890 – De Seyn-Verhougstraete, Het Bargoensch van Roeselare
1892 – l’Abbé, Limburgsch Bargoensch
1899 – De Beer & Laurillard, Woordenschat: ‘Bargoensch, waarschijnlijk van het Franse barguigner, een onzekere, onduidelijke, gemengde brabbeltaal in het bijzonder: dieventaal; ook het Amsterdamsche Joodsch-Duitsch’.; Woordenboekartikel op p. 62.
1906 – Köster Henke, De Boeventaal. Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of de taal van de jongens van de vlakte
1916 – De Keyser, Bargoensch uit het begin van de Twintigste Eeuw
1922 – Moormann, Het Bargoensch van Maastricht
1926 – Moormann, Bargoensch uit het midden der negentiende eeuw
1927-1928 – Moormann, Bargoensch uit het midden der achttiende eeuw
1934 – Hermant, Woordenlijst van Brusselsch Bargoensch (Burgonsch)

Bargoens

1844 – Vernee, Het Argot of de Fransche Dieventaal [...] overgebragt in het Bargoens of de Hollandsche Dieventaal
1932, 1934 – Moormann, De Geheimtalen: ‘Bargoens’ p. 52 en passim.

Bourgoendsch

1837 - Courtmans, Zonderlinge tael Te Zele: ‘Zie hier eene overzetting, in het Bourgoendsch, van de parabel des verloren zoons’.

Bourgonsch

1848 – E.L., Gielerstael of Haeltael: ‘Daer het Belgisch Museum het gevoelen uit dat het Bourgonsch, (...), ook wel tot zulk een slag van dieventael zou kunnen behooren, zoo denk ik dat dit lystje, hetwelk met het Bourgonsch uit de Kempen en het Rotwaelsch groote overeenkomst schynt te hebben, nog meer zekerheid aan dit gevoelen kan byzetten.’

Bourgoensch

1837 – Willems, Zonderlinge tael te Zele. Aenmerkingen op het voorgaende stuk: ‘Inzonderheid zou het my aengenaem wezen liederen of gedichten, in het zogenaemd Bourgoensch opgesteld, mynen lezeren te kunnen meededeelen.’
1841 – Van Duysse, Jelle en Mietje. Gentsche Vryagie, door wylen Karel Broeckaert. Vijfde druk, vermeerderd met eene navolging in het Bourgoensch

Bourgonds

1844 – A en Z, lezersbrief in Algemene Kunst- en Letterbode: ‘Dat de nieuweling in het zoogenaamd Bourgonds of liever in de dieventaal onderwezen wordt’

Borgoensch

1883 – Staes, Schets eener Geschiedenis van de Gemeente Zele. ‘Over het Borgoensch’. Titel van hoofdstukje

Burgonsch

1934 – Hermant, Woordenlijst van Brussels Bargoensch (Burgonsch)

Van het woord Bargoens zijn in de bronnen van en de publicaties over het Bargoens dus opvallend veel varianten te vinden. De oudste, Baggoens, Borgoens en Bragoens, dateren uit de laatste jaren van de zeventiende eeuw. Borgoens (De Gelukte List, 1689; Séwel, 1691) duikt nog eenmaal op in een processtuk over de Brabantse Bende (±1800). In 1883 schrijft H. Staes Borgoensch met -sch.
De variant Bargoens komt voor het eerst voor in het midden van de negentiende eeuw (Vernee, 1844). De meeste auteurs gebruiken de spellingvariant (en uitspraakvariant?) Bargoensch (Cartouche, 1731; Susan, 1844; Winkler, 1874; Teirlinck, 1886; De Seyn-Verhougstraete, 1890; l’Abbé, 1892; De Beer & Laurillard, 1899; Köster Henke, 1906; De Keyser, 1927; Moormann, 1922, 1926, 1927-1928; Hermant, 1934). Bargoensch duikt een eerste keer op in 1731, maar wordt pas een veel gebruikte variant in het laatste kwartaal van de negentiende eeuw. Moormann schrijft nog Bargoensch in zijn artikelen uit 1922, 1926 en 1927-1928, maar in De Geheimtalen (1932 en 1934) kiest hij voor Bargoens. Dat wordt na het verschijnen van De Geheimtalen de standaardtalige variant.
In jongere bronnen uit de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw komen evenwel nog verschillende verrassende nieuwe varianten voor: Belgoens en Bolgoens (1932), Burgonsch (1934), Burgons (1973), Bregoenst en Bregoens (1980), Bërgoe’ns (1986), Bergoensch (2000), Begoons (2007) en Borgons (2010).
In de negentiende eeuw werden er een vijftal varianten gebruikt die wijzen op associatie met het woord Bourgondisch: Bourgoendsch, (Courtmans, 1837), Bourgoensch, (Willems, 1837; Van Duyse, 1841), Bourgondsch (Willems, 1838; Bellefroid, 1838), Bourgonsch (E.L., 1841), Bourgonds (A en Z, 1844).
Tussen Bargoens en de varianten merken we een of meer van de volgende fonetische verschillen:
– De bijtonige klinker is niet a, maar o, oe, u of e: Bargoens, Borgoens, Burgoens, Bourgoensch, Bergoensch
– De spelling met -sch kan wijzen op palatalisering van de -s: Bargoens-Bargoensch; Borgoens-Borgoensch; Burgoens-Burgoensch.
– De hoogtonige klinker is niet oe maar o: Bargoens-Bargons; Burgoens-Burgons; Bourgoen(d)sch-Bourgon(d)sch.
– Metathesis van r en de bijtonige klinker: Bargoens-Bragoens; Bourgoensch-Broegoens; Bergoensch-Bregoenst (met paragogische medeklinker t aan het eind van het woord).
– Er is wisseling van de liquidae r en l in de varianten die alleen Moormann vermeldt: Borgoens-Bolgoens; Bergoensch-Belgoens.
– In de varianten die met Bourgondisch geassocieerd zijn, kan een d worden toegevoegd: Bourgoensch-Bourgoendsch; Bourgonsch-Bourgondsch.
– Bij de overblijvende twee varianten, Baggoens (1689) en Begoons (2007), is er assimilatie van r en g. Begoons vertoont nog verdere aanpassingen aan het dialect van Roermond.

2.2 De herkomst van Brigade en varianten
In enkele dialecten van het zuidwestelijk Bargoens gebruikte men een synoniem van Bargoens. Van dat synoniem kwamen alleen lokale varianten voor. In Zele zei men Brigade. (Courtmans, 1841). In Roeselare (De SeynVerhougstraete, 1890) en Sint-Niklaas (De Wulf, 1980) zei men Bregade, in Brussel (Hermant, 1934) en Mechelen (Van Balberge, 1950) Bergades. Protonische verschillen zoals die tussen Brigade, Bregade en Bergades zijn er in het zuidwestelijk Bargoens ook tussen brizoen (Brussel, Watou), berzoen (Antwerpen, Mechelen) en barzoentje (Roeselare). Van dit woord komt dus ook een variant met protonische a voor. Varianten met een voortonige a komen vaker voor in Nederlandse dialecten, ook als variant van woorden met protonische i of e, bijvoorbeeld: Machiels < Michiels, saroop < siroop en bagijn < begijn. Van Brigade/Bregade/Bergades komt geen variant voor met voortonige a. Dat is niet verwonderlijk: voortonige klinkers worden (eventueel na verdoffing tot sjwa) vervangen door klinkers die zich qua articulatieplaats op een vrij grote afstand bevinden van de erop volgende beklemtoonde klinker.
In zijn Woordenboek van Bargoensch (1886, p. 9) vraagt Isidoor Teirlinck zich af of het Bargoense woord Brigade in verband staat met bragaat ‘pronk’ en bragade ‘snoeverij, bluf’. De nu verdwenen woorden bragaat en bragade zijn ontleend aan het Frans. Eigenlijk wil Teirlinck weten of brigade verwant is met het oude Franse woord bragade ‘opschepperij’. Met die betekenis komt het dichter bij het Bargoense Brigade dan het Franse woord brigade. Toen het Nederlands dat Franse woord in het midden van de zeventiende eeuw ontleende, betekende het in het Frans ‘troep’, ‘bende’. Het is begrijpelijk dat Teirlinck twijfelde. Als de Bargoense taalnaam Brigade etymologisch verwant was met bragade, waarom zei men dan Brigade? Van Bargoens Brigade was geen nevenvorm met protonische a bekend. De overgang van a naar i was wellicht het gevolg van herinterpretatie. Sommigen, onder meer H. Staes (1883: p.234), associeerden het woord namelijk met Fr. brigand ‘bandiet’, ‘rover’. Staes sprak het Bargoens van Zele en schreef erover. Het is nota bene alleen in Zele dat de vorm Brigade is opgetekend. Ook toen men brigade als taalnaam ging gebruiken, bleef het woord daar vrouwelijk (Courtmans 1841). In Roeselare werd (en wordt?) het altijd met het lidwoord de gebruikt: ‘Preuvelt den being de bregade? Spreekt gij bargoensch?’ (De Seyn-Verhougstraete 1890). H. Staes is de eerste auteur die Brigade onzijdig maakt, wellicht onder invloed van de andere Nederlandse taalnamen. Later zal men in het Brussels Bargoens aan het woord een -s toevoegen. 'De Brigade' wordt dus eerst 'het Brigade' en dan 'het Bergades'. Vergelijk voor de -s: het Latijn>het Latijns.
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal leidt brigade af van het werkwoord brageren, dat uit het Oud-Frans bragar zou stammen en dat behalve ‘pronken, goede sier maken, brassen’ ook ‘bluffen, roemen met woorden’ betekent. Brigade zou dus etymologisch verwant zijn met Frans braguer ‘opscheppen, pochen’.

2.3 De herkomst van Gargoens en Arragoens
Het suffix -s dient onder meer om taalnamen af te leiden, meer bepaald de namen van landstalen, streektalen en dialecten. Bargoens behoort niet tot die categorie van taalnamen. Het is de naam van een geheime groepstaal, een voor oningewijden niet verstaanbare taal van vagebonden, dieven en allerlei soorten rondtrekkende handwerkslieden, handelaars en venters. Bargoens is niet de enige en ook niet de oudste Nederlandse naam voor een geheime groepstaal. In een Karolingische roman uit de twaalfde eeuw praatte een berenleider met zijn getemde beer ‘in gargoense tale die niemen dar wale sonder wisselau en vernam’, dus in een geheime taal die niemand daar goed verstond behalve Wisselau. En Der Fielen, Rabauwen oft der Schalcken Vocabulaer, een werk uit de zestiende eeuw, is volgens de Prologhe ‘eenen vocabulaer om rodt walsch of Arragoens te quisten. Oft om coopmans latijn te spreken’.
Het woord Gargoens is etymologisch verwant met Frans jargon, waarvan ook de oud-Franse varianten gargon en gergun bekend zijn. Op het eerste gezicht is de taalnaam Gargoens een afleiding van gargoen, maar dat woord is nergens geattesteerd. Het Franse woord jargon is zelf al een afleiding: het is d.m.v. het suffix -on afgeleid van garg-/jarg- dat ook voorkomt in bijvoorbeeld se gargariser ‘gorgelen’. Een variant met stamklinker o komt voor in Frans gorge ‘keelgat’, ‘strot’, ‘stem’ en in gorgelen.
De herkomst van de zestiende-eeuwse benaming Arragoens is onzeker. Er kan worden gedacht aan een ingevoegde sjwa die onder invloed van de beginklinker a ook als a wordt uitgesproken. Arragoens zou dan teruggaan op de gereconstrueerde vorm *Argoens en die wordt in verband gebracht met argot ‘dieventaal, groepstaal’. Dat betekent evenwel niet dat *Argoens van argot zou zijn afgeleid. Etymologen brengen argot in verband met diverse Franse werkwoorden, zoals oud-Fr. hargoter ‘twisten’ en arguer ‘voorwenden’. Argoens kan zijn afgeleid van Fr. arguer, Ndl. argueren, dat niet alleen ‘redeneren’ betekent, maar ook ‘twisten’. De Bo vermeldt in zijn Westvlaams Idioticon voor argueren onder meer de uitspraak arreweren, met een ingevoegde sjwa, wat aannemelijker maakt dat Arragoens teruggaat op *Argoens.

3 Verklaringen voor de herkomst van Bargoens

3.1 De Zoogenaemde Bourgondische Dieventael
Enkele varianten van Bargoens zijn heel waarschijnlijk niet opgetekend uit de mond van Bargoenssprekers. Ze komen voor in geschriften van taalliefhebbers, niet als Bargoens woord, maar als Nederlandse benaming van het Bargoens. In het midden van de achttiende eeuw werd Limburg geteisterd door bendes van schelmen. In het Algemeen Rijksarchief is een lijst van hun dieventaalwoorden bewaard gebleven met de omschrijvende titel ‘Eenzaeme gevoegt opstel van de Zoogenaemde Bourgondische Dieventael als meede van de Joodse dieven en Landloopers Tael’ (Moormann, 1932 en 1934). In deze lijst wordt het Bargoens voor de eerste keer en expliciet in verband gebracht met Bourgondisch. Pas tachtig jaar later duiken varianten van Bargoens op die door uitspraak en spelling impliciet verwijzen naar de vermeende etymologische verwantschap. Deze varianten vinden we vooral in de geschriften van auteurs die behoorden tot de kring van Jan Frans Willems en zijn tijdschrift Belgisch Museum.
Ze schreven Bourgoendsch, Bourgoensch, Bourgondsch, Bourgonsch en Bourgonds. Niet elke auteur gebruikt altijd dezelfde variant, wat wijst op onzekerheid over de meest verkieslijke uitspraak en schrijfwijze. Jan Baptist Courtmans, die in 1837 de parabel van de Verloren Zoon vertaald heeft in de ‘Zonderlinge Taal te Zele’, schrijft Bourgoendsch en Jan Frans Willems kiest voor de variant Bourgoensch in zijn nawoord bij die vertaling. Het jaar daarop schrijft Willems Bourgondsch in navolging van zijn Kempense informant dokter L. Bellefroid (Willems, 1838). Een ander voorbeeld van onvastheid vinden we in het anonieme en niet gedateerde Dictionnaire Burgoensch patois de Zele. In de Franse titel van zijn handgeschreven woordenlijst gebruikt de auteur de variant Burgoensch. Maar als synoniemvertaling van Zeels Bargoens Brigade geeft hij Bourgoensch. Schreven Willems en de zijnen Bourgoen(d)sch, Bourgon(d)sch of Bourgonds onder enige systeemdwang? Of gaven hun ‘geleerde’ varianten toch min of meer de uitspraak van hun Bargoens sprekende tijd- en landgenoten weer? Later vermeldden een paar auteurs in Nederland alvast ook de varianten Bourgonsch (Verwoert, 1860) en Bourgonds (Moormann, 1932).
Sommige auteurs gebruikten in de eerste helft van de negentiende eeuw, meer bepaald in de jaren 1837-1844, dus een variant van Bargoens die naar Burgondisch verwees. Dat feitelijk gebruik leidde ertoe dat taalgeleerden stelling namen voor of tegen de verklaring van Bargoens uit Bourgondisch. Nederlandse taalgeleerden vonden argumenten tegen, Belgische daarentegen voor de verklaring.
In 1874 verscheen het Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon van Johan Winkler. Daarin schrijft de auteur over het ‘bargoensch, dat ook borgoensch, boergoensch, bourgoensch geschreven wordt’:

Aan een afleiding van bourgondisch, burgundsch, de uitgestorvene, goed duitsche taal der ouder Burgunden of Boergondiers valt niet te denken, zoo min als aan een afleiding van het hedendaagsche boergondisch, de fransche tongval die in de landstreek Boergondie (Bourgogne) in oostelijk Frankrijk gesproken wordt. (o.c., p. 416)

In 1925 verscheen het Beknopt etymologische woordenboek der Nederlandsche taal van J. Vercoullie. Voor hem was het toen nog een zekerheid:

Bargoensch o., dial. Borgoensch = Bourgondisch. Sedert het Bourgondische tijdvak tot verre in de zestiende eeuw was Bourgondisch ten onzent synon. van Fransch of Waalsch. Vergel. verder Koeterwaels en Hgd. rotwelsch.

Ook volgens de meeste recente etymologische woordenboeken zou Bargoens kunnen teruggaan op Bourgondisch. Het zou door middel van het suffix -s(ch) zijn afgeleid van de streeknaam Bourgondië. De vervorming van Bourgondisch is dan misschien beïnvloed door Bourgogne, de Franse naam van het oude hertogdom Bourgondië, of door Bourgoin, een oude gewestelijke vorm van de inwonersnaam bourguignon. Zowel de Franse streeknaam als de Franse inwonersnaam was bij ons in de middeleeuwen al bekend. Ze kwamen hier in de veertiende eeuw voor als familienaam. Frans Debrabandere vermeldt in zijn Verklarend Woordenboek van de Familienamen in België en Noord-Frankrijk zowel Bourgogne (van) als Bourgoin (Debrabandere, 1993). Als Bargoens teruggaat op Bourgond(i)sch is het dus bevreemdend dat tot in de negentiende eeuw geen enkele variant van Bargoens in uitspraak en/of spelling duidelijk verwijst naar het grondwoord dat in de Nederlanden al zo lang bekend was: als afleiding van Bourgoin of Bourgogne verwacht je niet Borgoens maar Bourgons.
De vervorming van Bourgon(d)sch tot Bourgoen(d)sch is mogelijk beïnvloed door Borgoens. Maar ook Bretoens kan hier model hebben gestaan. Bourgoen(d)sch en Bretoens zijn namen van landstalen. Namen van landstalen, streektalen en dialecten zijn niet afgeleid van een werkwoord, maar van een substantief. Dat basiswoord kan zowel een lands-, streek- of plaatsnaam zijn als een inwonersnaam: Nederlands < Nederland, Gronings < Groningen, Maastrichts < Maastricht; Iers < Ier, Zeeuws < Zeeuw. Bretoens is niet d.m.v. het suffix -oens afgeleid van een werkwoord, maar d.m.v. -s van een substantief, nl. de inwonersnaam Bretoen < Frans breton. Bourgoen(d)sch kan even zo zijn afgeleid van de inwonersnaam Bourgoend ‘Boergondier’ die in de Nederlanden als familienaam voorkwam (De Brabandere, 1993, p. 187).
De verklaring van Bargoens uit Bourgondisch spreekt aan door haar eenvoud. Ze lijkt zelfs voor de hand te liggen. Maar ze is onaanvaardbaar. Ze berust namelijk, zoals ik hieronder probeer aan te tonen op herinterpretatie.
Van de late zeventiende eeuw tot in de tweede helft van de twintigste eeuw is in Bargoense bronnen van het huidige Nederlandse woord Bargoens een nevenvorm met bijtonige o opgetekend. De variant borgoens wordt ook vermeld in De Mislukte List in 1689 en door Séwel in 1691. De vorm borgoens komt ook voor in processtukken van omstreeks 1800. De varianten die wijzen op associatie van borgoens met Bourgondich dateren uit de jaren 1837-1848. Om de oude verklaring van bargoens uit borgoens ‘Bourgondisch’ kracht bij te zetten, wordt er wel eens op gewezen dat de naam van een buitenlandse taal soms als koepelterm voor ‘onverstaanbaar taaltje’ geldt. We kennen inderdaad allemaal de uitdrukkingen Dat is Chinees voor me ‘Daar begrijp ik niets van’ en Daar is geen woord Frans bij ‘Dat is duidelijke, onverbloemde taal’. Dit argument pro is eerder een argument contra. Zelf hebben de Bargoenssprekers uit de zestiende en de zeventiende eeuw hun geheime groepstaal geen onverstaanbaar taaltje gevonden. Ze was alleen onverstaanbaar voor oningewijde buitenstaanders. Voor hen was ook de herkomst van de benaming borgoens een raadsel. Dus associeerden ze dat ondoorzichtige klankgeheel maar met een woord waarvan ze de herkomst wel kenden. Bij die associatie speelde vooral de klankovereenkomst. Bourgoen(s)sch/Bourgonsch/Bourgonds was de naam van een vreemde taal, het Frans. Als naam voor een onverstaanbaar taaltje nu niet direct de beste keuze, want als er al een taal was die geïnteresseerde buitenstaanders zoals Jan Frans Willems grondig beheersten, was het toch wel het Frans. Ze noemden het Borgoens niet naar het Bourgons omdat ze van beide talen niets verstonden. Ze bedoelden niet ‘Dat Borgoens is Bourgonds voor mij’. Bourgoen(d)sch/Bourgonds, werd niet metaforisch gebruikt voor het Bargoens/Borgoens. Wie het Borgoens Bourgonds noemde, vergeleek niet twee talen, maar associeerde twee taalnamen.
Had men met borgoens in de zeventiende eeuw al ‘Bourgondisch’ bedoeld, dan zou dat eerder in de uitspraak en de schrijfwijze van het woord tot uiting zijn gekomen. Waarom zei men borgoens en niet van meet af aan bourgonds? En hoe komt het dat men in de twintigste eeuw niet langer bourgonds gebruikte, maar bargoens? Over die nevenvorm zeggen de etymologen die de borgoens ‘Bourgondisch’-theorie verdedigen niets, hoewel hij de standaardtalige vorm is geworden. Mogelijk omdat ze geen woord kennen dat wat klank en betekenis betreft even dicht bij bargoens staat als bourgons bij borgoens. Als je de herkomst beschrijft van het standaardtalige woord Bargoens kun je de varianten met bijtonige a niet buiten beschouwing laten. De voortonige o van borgoens is te verklaren door ronding van a na de b zoals bijvoorbeeld bij boktand < baktand. De herkomst van boktand ‘kies, maaltand’ kun je niet beschrijven zonder te verwijzen naar baktand < Mnl. bactant, een samenstelling met Mnl. backe ‘kinnebak, wang’ (J.L. Pauwels, Baktand, Hand. KCTD 5, 1931, p. 286-292).
Bargoens is dus ten onrechte in verband gebracht met Bourgondisch. De zestiende-eeuwse variant van Bargoens met voortonige o houdt geen verwijzing in naar de vorm en/of de betekenis van Bourgondisch. Ook het stamwoord van de twaalfde-eeuwse afleiding Gargoens komt voor met stamklinker o, bijvoorbeeld in gorgelen. In Nederlandse dialecten heeft de voortonige o zich wel eens meer ontwikkeld uit a: cfr. possensje < patience; potroon < patroon (‘snit’); tobak < tabak; vodrons < vaderons. Borgoens is geen vervorming van het pas veel later opduikende Bourgoen(d)sch, Bourgon(d)s(ch). De jongere vormen wijzen op herinterpretatie van de oudere variant.

3.2 Frans baragouin
Het Franse woord baragouin ‘onverstaanbare taal’ gaat terug op Bretoens bara gwin ‘brood (en) wijn’. Het is dus een verholen copulatieve samenstelling die bestaat uit bara en gouin, in oorsprong de twee Neder-Bretoense woorden bara ‘brood’ en gwin ‘wijn’. Het verband tussen Bargoens en het Franse woord baragouin is vergezocht maar goed gevonden. Vergezocht, want ontlening veronderstelt taalcontact. Waar zou een zestiende-eeuwse vagebond van bij ons een woord hebben kunnen oppikken dat uit WestFrankrijk afkomstig was en pas populair werd na de annexatie van Bretagne bij Frankrijk? Toch goed gevonden, want sommige etymologische woordenboeken verwijzen voor de herkomst van Bargoens bij voorkeur naar baragouin en niet naar Bourgondisch. De toelichting over Bretoense pelgrims die in Franse herbergen om brood en wijn bedelden, speelt daarbij zeker een rol. Bij de zestiende-eeuwse Bargoens sprekende vagebonden waren nu eenmaal ‘valse vromen’ die zich uitgaven voor pelgrim op terugweg van Compostela. Het verhaal over de Bretoense pelgrims klink zo authentiek dat men de uitleg over het verband tussen Bargoens en baragouin maar voor waar nam. Maar die uitleg bevredigt niet: hij veronderstelt dat Bargoens is afgeleid van het gefingeerde bargoen, dat een niet-geattesteerde samenstelling van bar en goen zou zijn. Bargoens is dus niet afgeleid van *bargoen < Fr. baragouin. Dat er geen enkele attestatie van *bargoen bekend is, zal wel geen toeval zijn. Er zijn evenmin bewijzen dat gargoen en arragoen (hebben) bestaan. Er is dus bijkomende evidentie dat Bargoens niet teruggaat op Frans baragouin.

3.3 Brag + -oens
De verklaringen ‘Bargoens = Bourgondisch’ en ‘Bargoens < Fr. baragouin’ blijken niet tegen kritiek bestand. Ze houden onvoldoende rekening met de vele geattesteerde varianten van Bargoens en van het synonieme Brigade.
Ze houden evenmin rekening met de manier waarop de dieventaalnamen Brigade, Gargoens en Arragoens zijn gevormd. In deze bijdrage wordt daarom een nieuwe beredeneerde verklaring gegeven: Bargoens is door middel van het suffix -oens afgeleid van een werkwoord met de stam brag.
Bargoens heeft een grote overeenkomst in betekenis met Gargoens en Arragoens: het is ook de naam van een geheime groepstaal, een ‘dieventaal’. Bargoens heeft met Gargoens en Arragoens ook een grote overeenkomst in vorm. Mogelijk hebben gargoens en arragoens bij de vorming van Bargoens model gestaan. Het woord eindigt op de klankenreeks argoens zoals de andere twee geheimtaalnamen. Gargoens is waaschijnlijk een afleiding op -s van het Franse gargon. Dat ar(ra)goens een variant zou zijn van argots en dus ook een afleiding op -s is al een stuk onwaarschijnlijker. En er is helemaal geen woord bargoen of een variant daarvan waarvan Bargoens kan zijn afgeleid. Bargoens is vrijwel zeker gevormd door afleiding met het suffix -oens. Dat is geen suffix door mij bedacht pour le besoin de la cause. Het is een vaste verbinding van -oen en -s en het komt alleen voor in een paar afgeleide namen van dieventalen (Gargoens, Arragoens en Bargoens). Wat vorming en gebruik betreft, vertoont -oens enige gelijkenis met -lijks, een vaste verbinding van -lijk en -s waarmee enkele frequentie-aanduidingen worden afgeleid (dagelijks, wekelijks, maandelijks, jaarlijks). In -oens en -lijks is de -s wellicht niet later toegevoegd: gargoen, arragoen, bargoen en dagelijk, wekelijk, maandelijk, jaarlijk zijn nergens geattesteerd.
Als Bargoens is afgeleid met het suffix -oens is de vraag waarvan Bargoens kan zijn afgeleid. Er is geen basiswoord barg bekend, maar in de vele varianten van Bargoens verschijnt het basiswoord als beg-, belg-, berg-, boerg-, bolg-, borg-, bourg-, burg-, en ook als brag-, breg-, broeg- en brug-. Een van deze vormen, brag-, komt in het Engels als woord voor: to brag. Dat is hetzelfde woord als het Franse braguer ‘opscheppen, pochen’. Dat werkwoord braguer was van de zestiende tot in de negentiende eeuw in onze gewesten niet onbekend, althans niet het bastaardwoord brag(i)eren. Het wordt, trouwens zoals argueren < arguer, vermeld in het Westvlaams Idioticon (De Bo, 1873) en in het Idioticon van het Antwerps dialect (Cornelissen & Vervliet, 1899). Braguer is het werkwoord waarvan ook de taalnaam Brigade zou zijn afgeleid: Brigade < Frans bragade, maar met stamklinker i door herinterpretatie onder invloed van klankassociatie met de legerterm brigade. Er is dus een vage vorm- en betekenisoverkomst tussen Frans braguer en bragoens, maar dat wil nog niet zeggen dat Bargoens van braguer is afgeleid. Zelfs als dat formeel mogelijk zou zijn, blijft de betekenisovereenkomst te klein. Bovendien zijn de socioculturele randvoorwaarden niet vervuld: het leenwoord brageren/bragieren was vrijwel zeker onbekend bij de ongeletterde Bargoenssprekers. Dat Bargoens zou zijn afgeleid van Frans braguer lijkt mij een geval van op klankassociatie berustende herinterpretatie door gestudeerde buitenstaanders.
Waarom zouden de Bargoenssprekers trouwens aan hun eigen groepstaal een naam geven die teruggaat op een ontlening aan een vreemde taal? Het is veel waarschijnlijker dat brag- de stam is van een werkwoord uit hun geheime groepstaal. In teksten uit 1615 en 1620 is zo een werkwoord geattesteerd, namelijk braken/pracken ‘stelen’. Stam- en betekenisverwante Nederlandse woorden zijn inbraak en inbreker. De geheime groepstaal die men later Bargoens is gaan noemen, werd in het begin van de zeventiende eeuw nog terecht beschouwd als een regionale variant van het Rotwelsch. Braken ‘stelen’ is geattesteerd in de Hoogduitse variant van het Rotwelsch, maar het werkwoord moet ook bij de Bargoenssprekers in de Nederlanden niet onbekend zijn geweest.
Braken/pracken ‘stelen’ en brack ‘dief’ komen voor in een paar vroeg zeventiende-eeuwse bronnen die Friedrich Kluge heeft opgenomen in zijn Rotwelsches Quellenbuch (Kluge, 1901). In Kriegskunst zu Fusz, een bron uit 1615, schrijft Joh. Jac. von Wallhausen over de ‘Gartenbrüder’ dat ze zich toelegden op pracken ‘dann also heissen sie das Stehlen’.
Een andere bron waaruit Kluge citeert, is Steganologia et Steganographia aucta, Geheime, Magische, Natürliche Red und Schreibkunst van Daniel Schwenter (ps. Janus Hercules de Sunde). Dit werk over geheimschrift is vermoedelijk omstreeks 1620 gepubliceerd. Schwenter gebruikt en vertaalt praken ‘stelen’ in de hier volgende anekdote:

Man saget / dasz auff eine zeit zwens Soldaten in ein Wirtshausz kommen / deren einer zu dem andern / in beyseyn einer Magd / welche die Rotwelsche sprach verstanden / gesagt: Lenninger halt Wind / dort stehet ein bleysach / und ein baar Dritling / lasz michs praken / das ist / Soldat hab acht / dort stehet eine Kandel und ein paar Schuch / ich wills stelen.
Darauff die Magd angefangen: Last das praken hoken ihr Lenninger / ehe ichs dem Schecher sag / und ihr deiszbirn kriegt / oder euch der Dollinger gar schnüret / das ist / lasset das stelen bleiben ihr Soldaten / ehe ichs dem Wirth sage / und irh Stöffe krieget / oder euch der Henker gar hencke. (Kluge 1987, p. 135).

In een gefingeerd gesprek dat Kluge uit Schwenters werk heeft overgenomen, noemt een soldaat iemand ‘ein grandier Brack, wat Schwenter vertaalt door ‘ein grosser Dieb’. (Kluge, 1987, p. 139).
Uit de bovenstaande citaten en verwijzingen kunnen we afleiden dat braken/pracken een woord is uit de Hoogduitse Rotwelsche soldatentaal. Het duikt voor het eerst op in bronnen van 1615 en 1620. Toen waren brack en braken ook in het Hoogduitse Rotwelsch nog nieuwe woorden. In het Liber Vagatorum komen ze niet voor, niet in het Hoogduitse origineel uit 1510, niet in de Nederduitse bewerking uit hetzelfde jaar en niet in de Nederlandse bewerking uit 1563. De oudste attestaties van Bargoens, namelijk baggoens en borgoens dateren van 1659. Bragoens is opgetekend in 1691. Het is ouder dan Bargoens en Bargoensch, die pas vanaf het midden van de negentiende eeuw herhaaldelijk zijn gebruikt. Dat de variant Bragoens al voorkomt op het einde van de zeventiende eeuw, maakt afleiding van een werkwoord met de stam brag nog een stuk aanvaardbaarder. Was braken ‘inbreken’ toen al bekend in het Nederlandse Rotwelsch? Wellicht hadden Duitse landsknechten het er binnengebracht. Zij zongen in ieder geval een soldatenlied uit 1608 over teutschen Lenninger in de Nederlanden en hun omgang met de vrouwen en meisjes daar.
Doordat braken ‘stelen’ in geen enkele Bargoense bron voorkomt, is er tot nu toe in verband met de etymologie van Bargoens niet naar verwezen. De Rotwelsche bronnen uit 1615-1620 waarin braken met vertaling als soldatentaal vermeld wordt, zijn ook pas laat bekend geraakt en toegankelijk gemaakt. In 1901 heeft Friedrich Kluge ze in zijn Rotwelsches Quellenbuch opgenomen en in 1956 heeft Siegmund Wolf ze met het woordregister van zijn Wörterbuch des Rotwelschen toegankelijk gemaakt. Maar ook daarna wordt in verband met de herkomst van Bargoens niet naar Rotwelsche bronnen verwezen. Elke voorgestelde oplossing kwam neer op een verwijzing naar een Frans woord. De verwantschap van het Bargoens met het Rotwelsch van de Duitstalige landen is dan ook het best bewaarde geheim van de bargoenistiek, ze is nog niet echt het voorwerp van onderzoek geweest. Ook is nog niet geweten of braken ‘stelen’ voorkomt in jonge Rotwelsche bronnen, waarnaar Wolf dus in zijn woordenboek van 1901 nog niet verwijzen kon.
Mijn oplossing voor de herkomst van Bargoens komt neer op een hertekening van de morfologische structuur van het woord. In de verklaring van Bargoens uit borgoens ‘Bourgondisch’ is Bargoens met het suffix -s afgeleid van borgoen. De verklaring uit Frans baragouin houdt in dat Bargoens met het Nederlandse suffix -s is afgeleid van bara en gouin vernederlandst tot respectievelijk bar en goen. In de door mij voorgestelde oplossing is bragoens met het suffix -oens afgeleid van brag.
Ter onderbouwing van mijn oplossing wil ik deze bijdrage afronden met twee citaten. Het eerste, van Siegmund Wolf, gaat over de etymologie en de betekenis van braken/praken ‘stelen’. Het tweede citaat is van Émile Lattré.
Het is een opmerking over de etymologie en de betekenis van braguer en brigue.
Volgens Wolf heeft het Rotwelsche werkwoord zich ontwikkeld uit het Middelhoogduits brâchen < Oudhoogduits prâchun ‘breken’. Bij die etymologische verklaring merkt hij op ‘in v. steckt die Vorstellung des krachendes Berstens, also durchaus des gewaltsamen Einbrechens’ (Wolf, 1985, p. 61, lemma Brack [644] m Dieb).
Bij deze opmerking sluit naadloos aan wat Émile Littré in het Supplément van zijn Dictionnaire de la langue française schrijft over de etymologie van braguer ‘se vanter, faire le fendant’:

Norm. brague, vif, emporté, proprement qui fait du bruit; wallon bragarz, les jeunes gens qui, enrubannés, empanachés, l’épée au côté, font les honneurs d’une fête de paroisse (XIVe s. L’autre sera querelleux avec ses voisins, et rude à ses sujets, et n’aprouvera autre vie que cette qui consiste à faire le braguard en la maison, LANOUE, 116); angl. to brag, se vanter, braggart vantard, du norois braka, faire du bruit, faire de l’étalage, dont le radical se confond avec le gothique brikan, rompre. De la sorte, braguer et brigue remonteraient à une racine commune.

Uit de opmerking van Littré kunnen we afleiden dat, louter formeel gezien, Bargoens kan zijn afgeleid van Frans braguer. Maar Rotwelch braken komt door de betekenis ‘stelen’ meer in aanmerking als basiswoord van Bargoens. Wie in het verleden brageren of braguer als basiswoord voorstelde, wist niet van het bestaan van het Rotwelsche braken. De keuze voor brageren is overigens begrijpelijk omdat Rotwelsch braken en Frans braguer (en zoals we bij Littré lezen in zekere zin ook Frans brigue) teruggaan op dezelfde wortel.

4 Besluit

Bargoens wordt al eeuwenlang gesproken, maar zij die het spraken, schreven het niet. Van het woord Bargoens ontwikkelden zich in tijd en ruimte een twintigtal varianten. Het duurde evenwel tot in de twintigste eeuw voordat een daarvan, Bargoens, de enige standaardtalige variant werd. Bargoens komt pas sedert 1840 in publicaties voor. In de drie decennia voor en na 1900 werd Bargoensch meer gebruikt, maar dat was geen blijver.
Bargoens heeft zich door metathesis ontwikkeld uit de oudere variant Bragoens. Een concurrerende variant van Bragoens was in de zeventiende en de achttiende eeuw Borgoens, met voortonige o. Uit die variant ontwikkelden zich in het midden van de negentiende eeuw door herinterpretatie Bourgoen(d)sch, Bourgon(d)sch en Bourgonds.
Voor de etymologische verklaring van het standaardtalige Bargoens is de oudere variant Bragoens het aangewezen steunpunt. Dat wordt vooral duidelijk door vergelijking met het synonieme Brigade < Fr. bragade. Bragoens en bragade hebben dezelfde stamvorm brag. In beide gevallen hebben verdoffing van de stamklinker en metathesis geleid tot nieuwe varianten. Vergelijk Bregoenst (Sint-Niklaas) met Bregade (Roeselare; Sint-Niklaas) en Bergoensch (Poperinge) met Bergades (Brussel; Mechelen). Het zal wel geen toeval zijn dat vergelijkbare klankontwikkelingen in de synoniemen Bragoens en Brigade zich hebben voorgedaan in het gebied van het zuidwestelijk Bargoens, in steden waar de woorden Bargoens en Brigade bekend waren.
Zoals varianten van Bargoens en Brigade stapstenen zijn op de weg naar de stamvorm brag, zo zetten Gargoens en Arragoens ons op het spoor van het suffix -oens. Dat blijkt een vaste verbinding te zijn van de suffixen -oen en -s, die gebruikt wordt om namen van dieven- en kramertalen af te leiden van een werkwoord. Bargoens heeft zich door metathesis ontwikkeld uit de oudere variant Bragoens, die door middel van het suffix -oens kan zijn afgeleid van het Rotwelsche werkwoord braken ‘stelen’.
In deze bijdrage breng ik bezwaren in tegen de twee etymologische verklaringen van Bargoens die in de gezaghebbende etymologische woordenboeken als de meest waarschijnlijke oplossingen worden vermeld. Volgens beide verklaringen is Bargoens op de een of andere manier gerelateerd aan een Frans woord. Het is onwaarschijnlijk dat de Bargoenssprekers, gezien hun sociaal-culturele identiteit, de naam voor hun geheimtaal in een vreemde taal hebben gezocht. Veel aannemelijker is dat niet ingewijde buitenstaanders een etymologische verklaring in een voor hen niet zo vreemde taal zijn gaan zoeken. In mijn tegenvoorstel ga ik er dan ook van uit dat de verklaring voor de herkomst van Bargoens in de geheime groepstaal zelf moet worden gezocht. Bargoens eindigt op -oens zoals gargoens/ jargoens en argoens. Bij gargoens/jargoens en argoens valt misschien nog te denken aan afleiding op -s van een Frans woord, respectievelijk jargon en argot. Bij Bargoens is -oens te interpreteren als een vaste verbinding van -oen en -s. Het woord zou dus zijn afgeleid met het suffix -oens, en niet met -s. Daardoor eindigt de naam van de geheimtaal Bargoens net zoals de andere namen van onverstaanbare talen: Gargoens, Jargoens en Ar(ra)goens. Je zou hier kunnen denken aan systeemdwang.
Als Bargoens is afgeleid met het suffix -oens, is het basiswoord barg of een van de vele varianten van barg. Ouder dan barg is de variant brag. Die vorm vertoont een opvallende overeenkomst met de geheimtaalwoorden brack ‘dief’ en braken/pracken ‘stelen’. De beide woorden zijn geattesteerd. Ze duiken in 1615 en 1620 de eerste keren op in teksten over het Rotwelsch, meer bepaald over de toenmalige Rotwelsche soldatentaal. Toen werd ook het Bargoens nog tot het Rotwelsch gerekend. Brack en braken/pracken komen alleen voor in bronnen van het Hoogduitse Rotwelsch. Het Bargoens heeft zich ontwikkeld uit het Nederlandse Rotwelsch. In die regionale variant van het Rotwelsch zijn brack en braken niet geattesteerd, maar er zijn aanwijzingen dat Duitse huurlingen brack ‘dief’ en braken/pracken ‘stelen’ naar de Nederlanden hebben gebracht.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

Bargoens zn. ‘onverstaanbare taal, dieventaal’
Vnnl. Borgoens kappen, of Borgoens questen “spreeken gelyk de Roovers, gaauwdieven, en Heydens” [1691; WNT].
De herkomst van het woord is niet geheel duidelijk. In een bron uit 1769 wordt als opschrift van een Bargoense woordenlijst de term Bourgondisch gebruikt en het is mogelijk dat het woord uiteindelijk daarop teruggaat. Men vergelijke de aanduiding koeterwaals met Waals, en Duits Kauderwelsch ‘koeterwaals’ en Rotwelsch ‘Bargoens’ met Duits welsch ‘Romaans’; ook hier wordt dus het Romaans als iets onverstaanbaars aangeduid.
Een andere verklaring houdt in dat het achtervoegsel -sch als aanduiding voor een taalnaam van jongere datum is en dat de oorspr. vorm *bargoen is overgenomen uit Frans baragouin ‘koeterwaals’ [1391; Rey]. Dat woord verschijnt het eerst in West-Frankrijk en werd pas populair na de annexatie van Bretagne bij Frankrijk. Men neemt daarom aan dat het om een Bretons woord gaat, gevormd uit woorden bara ‘brood’ en gwin ‘wijn’, die door Bretonse pelgrims in de herbergen zouden zijn gebruikt.
De geïsoleerde vindplaats mnl. gargoensch ‘onverstaanbare taal’ [1291-1300; CG II, Wiss] is niet met dit woord verwant, maar met → jargon.
Lit.: Endt 1972

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Bargoens [geheimtaal van dieven] {1691} van de vele pogingen tot verklaring lijkt het meest waarschijnlijk dat het woord geleend is < frans baragouin [onbegrijpelijke taal], uit het (voor Fransen niet verstaanbare) bretons bara gwin [brood, wijn].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bargoens bnw., in het oudere ndl. ook borgoens, wellicht eig. Bourgondisch (FW 842); voor de betekenisverandering zijn dan te vergelijken koeterwaals en het hd. rot-welsch.

Eerder te verbinden met fra. baragouin, dat sedert de 14de eeuw bekend is. Dan betekent het iemand, die zijn stem veranderend voor zich mompelt; sedert de 15de eeuw: ‘onverstaanbare taal spreken’. Dit woord leidt men soms wel af van de bretonse woorden bara ‘brood’ en gwin ‘wijn’, dus twee woorden die gemakkelijk aan de Fransen bekend werden. Anderen stellen het bij spa. barahunda ‘tumult’, dat komt uit hebr. barukh hab-ba de begroetingsformule ‘gezegend zij, wie daar komt’. Voor andere verklaringen zie Gamillscheg 77.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bargoensch znw. o. en bnw. Wsch. van een ouder *Bargoen gevormd, dat van fr. baragouin “koeterwaalsch” komt. Hier nam men vroeger kelt. oorsprong voor aan, later is men het met spa. barahunda, it. baraonda e.a. rom. woorden uit Joodsche gebeden, beginnende met het woord bârûkh, gaan afleiden.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bargoensch, oudnnl. ook borgoens, ospr. = “Bourgondisch”: vgl. koeterwaals, vooral ook du. rot-welsch “Bargoensch”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bargoens[ch]. Wegens oudnnl. borgoens is de bij v. Wijk Aanv. vermelde verklaring als ‘Bourgondisch’ (vgl. koeterwaals) en vooral hd. rot-welsch ‘bargoens’) veel aannemelijker dan de afl. uit fr. baragouin (nog altijd niet bevredigend verklaard).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Bargoensch o., dial. Borgoensch = Bourgondisch. Sedert het Bourgondisch tijdvak tot verre in de 18e eeuw was Bourgondisch ten onzent synon. van Fransch of Waalsch. Vergel. verder Koeterwaals en Hgd. rotwelsch.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Bargoens (Frans baragouin?)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Bargoensch noemt men de taal van dieven, vagebonden, enz., die voor oningewijden niet verstaanbaar is. De afleiding is niet met zekerheid vast te stellen.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

Binnenhofbargoens, de politieke taal zoals die op het Haagse Binnenhof gesproken wordt. De term werd populair gemaakt door VVD-leider Frits Bolkestein. In 1997 verscheen het boekje Binnenhofbargoens van Telegraaf-redacteurs Emile Bode en Menzo Willems.

De taal van de politiek is wollig, ambtelijk, clichématig en langdradig. Dit ‘Binnenhofbargoens’ is niet bevorderlijk voor de politieke overtuigingskracht en voor een helder politiek debat. (Onze Taal, februari/maart 1998)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal