Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

barak - (houten hulpgebouw, bouwval)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Voor een uitvoerige verhandeling over de etymologie van barak, zie

Deze referentie kan als vervanging dienen van de referentie naar dezelfde auteur in het onderstaande artikel in het Etymologisch woordenboek van het Nederlands.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

barak zn. ‘houten hulpgebouw, bouwval’
Vnnl. (vorm onbekend) ‘soldatenonderkomen’ [1609; Boer], baracken (mv.) ‘hutten, soldatenonderkomens’ [1653; WNT politiek I], boracken (mv.) ‘hutten’ [1673; Claes 1994a]; nnl. barak ‘vervallen gebouw’ [1861; WNT remmel III], ‘kermistent’ (alleen in Belgische dial.) [1896; WNT draaiorgel], in de samenstelling cholerabarak ‘veldhospitaal, gebouw voor de verpleging van besmettelijk zieken’ [1902; WNT braak], ‘loods’ [1934; WNT arbeiderswoning].
Ontleend aan Spaans barraca ‘gevlochten of lemen hut; soldatenonderkomen’ [1249]. De verdere etymologie is niet duidelijk. Mogelijk is barraca een afleiding van Spaans barro ‘leem’, dat zelf wrsch. van Keltische herkomst is. Ook mogelijk is dat *barraca ‘lemen gebouw’ zelf al Keltisch is. Waarschijnlijker is herkomst uit vulgair Latijn *barra ‘dwarsbalk’, zie → baar 3 ‘staaf’.
De dialectische (in België) betekenis ‘kermistent’ is wrsch. ontleend aan Frans baraque in die betekenis. Ook het Franse woord is rechtstreeks aan het Spaans ontleend en niet via het Italiaans, zoals vaak gesteld wordt.
Lit.: G. Parker The Army of Flanders and the Spanish Road 1567-1659, Cambridge 1972, 166; Minne G. de Boer Toute la baraque, Lezing Romanistendag 2002, te verschijnen

EWN: barak zn. 'houten hulpgebouw, bouwval' (1609)
ANTEDATERING: een baraque oft hutte [1604; Numan, 79]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

barak [eenvoudig gebouw] {borack 1673} < frans baraque < spaans barraca [hut, barak], van barro [leem], van iberische herkomst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

barak znw. v. ‘tijdelijk houten gebouwtje’, eerst nnl. < fra. baraque ‘op het veld opgericht schuilhutje’ < ital. baracca, dat teruggaat op spa. barraca ‘hut gemaakt van aan de lucht gedroogde stenen van leem’ (term van het leger); dit woord wordt teruggevoerd op een woord *barrum ‘leem’ dat wellicht uit het baskisch afkomstig is; ook de afl. barraca schijnt vandaar te zijn overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

barak znw., nog niet bij Kil. Evenals hd. baracke v. “barak”, eng. barracks “kazerne” via fr. baraque uit it. baracca “barak, tent”, dat voor een afl. van het bij baar III vermelde barra “staaf” geldt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brak 2 v. (barak), uit Fr. baraque, een afleid. van barre, vermeld bij baar 2; uit Fr. ook Hgd. baracke en Eng. meerv. barracks = kazerne.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

brak (zn.) (oud) huis; Nuinederlands barack <1653> < Frans baraque.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

brak 3, zn.: bouwval, huis in slechte staat, huis (pej.); barak, loods. Vnnl. 1653 baracken ‘hutten, soldatenonderkomens’ (WNT). Uit barak < Fr. baraque < Sp. barraca, wellicht afgeleid van Sp. barro ‘leem’ of van volkslat. barra ‘dwarsbalk’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

brak 1, zn.: bouwval; kermistent; woonwagen Vnnl. 1653 baracken ‘hutten, soldatenonderkomens’ (WNT). Uit barak < Fr. baraque < Sp. barraca, wellicht afgeleid van Sp. barro ‘leem’ of van volkslat. barra ‘dwarsbalk’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

brakke 2 zn. v.: bouwvallig huisje; oud slecht paard. Fr. baraque < Sp. barraca ‘hut’, afl. van barro ‘leem’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

brakke 2 (H), zn. v.: bouwvallig huisje. Fr. baraque < Sp. barraca 'hut', afl. van barro 'leem'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

barak s.nw.
1. Verblyfplek, gewoonlik 'n eenvoudige gebou, vir polisie of soldate. 2. Veldhospitaal vir soldate. 3. Sleg ingerigte huis of onooglike gebou. 4. Afgeleë gebou vir siekes onder kwarantyn.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. barak (1701 in bet. 1). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel.
D. Baracke (17de eeu), Eng. barracks (1686), Fr. baraque.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

barak [barak’] (mv.: -ken), barrak: loods, eenvoudig (meestal houten) gebouw als tijdelijk verblijf voor soldaten, arbeiders e.d. In joodse kring vrijwel uitsluitend associatie met de onderkomens in (concentratie- en doorgangs-)kampen van de Tweede Wereldoorlog.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

barak (Frans baraque)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

barak ‘onderkomen voor soldaten; eenvoudig gebouw’ -> Engels barracks ‘onderkomen voor soldaten’; Frans baraque ‘onderkomen voor soldaten’; Italiaans baracca ‘onderkomen voor soldaten’; Indonesisch barak ‘eenvoudig gebouw; quarantaine’; Javaans barak, berak, brak ‘ziekenbarak; wachthuis; posthuis’; Madoerees bra', ēbbra' ‘barak; (post)loods’; Singalees bäräkka-ya ‘eenvoudig gebouw’ (uit Nederlands of Portugees); Papiaments barak ‘eenvoudig gebouw’; Surinaams-Javaans barag, mbarag ‘eenvoudig gebouw; inrichting voor besmettelijke ziekten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

barak eenvoudig gebouw 1673 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal