Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bar - (bloot; erg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

baar 5 bn. ‘naakt, bloot, open’
Onl. bar- ‘bloot, bar’ in de plaatsnaam Barloria ‘Baarle (Overijssel)’ [820-22; Gysseling 1960, 90]; mnl. bar, baer ‘naakt’ [1291-1300; CG II, Wiss.], ook in de bijnaam Willem baervoete [1279; CG I, 449] en in de familienaam Godevaert die Baere [1303; Debrabandere 1993].
Hetzelfde woord als → bar 1, ontstaan in de verbogen vormen, door rekking in open lettergreep.
Os. bar, ohd. bar, nhd. bar; ofri. ber (nfri. baar); oe. bær (ne. bare); on. berr; < pgm. *baza-, met -z- > -r- door rotacisme.
Verwant met Lets bass ‘met blote voeten’; Litouws bãsas; Oudkerkslavisch bosŭ ‘barrevoets’ (Tsjechisch bosý ‘id.’); Armeens bok ‘kaal, naakt’; bij de wortel pie. *bhoso- ‘kaal, naakt’, wrsch. verwant met pie. *bhes- ‘afwrijven’ via de betekenis ‘kaalgeschuurde plaats’. In dat geval hoort hier misschien ook Grieks psīlós ‘kaal, naakt’ bij.
Tegenwoordig komt baar alleen nog voor in vaste uitdrukkingen als baar geld ‘klinkende munt’, bare onzin ‘klinkklare onzin’, de bare duivel of dood ‘zonder enige vermomming, bloot’ en als bestanddeel van enkele woorden als → barrevoets, barvoets ‘met blote voeten’ en → baarlijk ‘zich onbedekt vertonend’. Het Nieuwfries heeft klearebare ‘zuiver, klinkklaar; zonder bijmengsels’.
Lit.: M. Philippa (1993) ‘Bar, baar, draagbaar’, in: OT 62, 84

bar 1 bn. ‘naakt, ruw, koud’, bw. ‘erg’
Onl. in de plaatsnaam Barla ‘Baal (Gelderland)’ [ca. 850; Künzel 75]; mnl. bar, baer ‘naakt, bloot, open’ [1291-1300; CG II, Wiss.]; vnnl. (een) bar gewest ‘kale, onvruchtbare, gure streek’ [1626; WNT]; nnl. (een) bar saizoen ‘guur, koud, streng seizoen’ [1772; WNT]; bar konservatief ‘erg conservatief’ [1871; WNT].
Hetzelfde woord als → baar 5 en het eerste lid van → baarlijk.
Veelvoorkomende combinaties als een bar gewest of een bar saizoen gaven aanleiding tot het ontstaan van bijv. bar konservatief en bar koud, waarin bar fungeert als bijwoord van graad. Zo kon bar als secundair bn. ontstaan, als in het zag er barretjes uit ‘erg, benauwd’ [1737; WNT] en het is bar.
De betekenis ‘naakt’ leeft voort in de samenstelling → barrevoets ‘met, op blote voeten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bar1* [naakt] {in de plaatsnaam Barla, nu Baal (Gld.) <ca. 850>, ba(e)r 1291-1300} hetzelfde woord als baar [bloot] (vgl. baarlijk).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baar 5 bnw., ‘bloot’, mnl. baer ‘naakt, open’, hetzelfde als het bijw. bar ‘erg’ (vgl. fri. bar, bijw. bare ‘erg’); baar komt eigenlijk alleen nog in vaste uitdrukkingen voor, zoals baar geld, bare onzin, terwijl de vorm bar nog bewaard is in barrevoets. — os. bar, ohd. bar, barēr, oe. bær, ofri. ber (-fōt), on. berr. — osl. bosŭ, lit. bāsas ‘met blote voeten’, arm. bos (< *bhosko-).

Men neemt aan een afleiding van idg. wt. *bhes ‘afwrijven’, dus van een ‘kaalgeschuurde plaats’ (IEW 163); in dat geval hangt het samen met zand (Kretschmer KZ 31, 1892, 414; H. Petersen IF 23, 1909, 393).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baar V bnw., mnl. baer “naakt, bloot, open’’. In oorsprong één met het bnw. bar “erg” (ook dial., bijv. Veluwe, Kampen, Drente, ook fri. bar, als bijw. bāre “erg”), guur, barsch” en “dor” (Zaansch). Baar wordt nog in baar geld, bare onzin en de bare duivel gebruikt, dial. ook nog = “bloot, onbedekt”, bijv. bij Bommel: də baorə grond. De van bar is klankwettig in samenstt. als bar(re)voets en in den sterken nomin. en accus. enk. m. en o. < germ. *ƀazaz, -an; baar heeft de gerekte vokaal van de andere casus. Bar, baar = ohd. bar, barêr (nhd. bar), os. bar, (ofri. ber-fôt), ags. bær (eng. bare), on. berr “naakt, bloot” (en afgeleide bett.). Germ. *ƀaza- = obg. bosŭ, lit. bãsas “met bloote voeten”; een formantische afl. van idg. *bhoso- is arm. bok “id.”. De verdere combinatie met gr. ps-īlós “kaal”, ps-ēnós, ps-ānós “kaalhoofdig”, ps-ōlós “zonder voorhuid” is aannemelijk. Te verwerpen is de hypothese, dat de uitdr. bare duivel onder invloed van zig. baro dewel “groote God” is ontstaan. Het Oud-mnl. kent reeds de verbinding die dûvel barlike. Dit ba(e)rlijc, -like, nnl. baarlijk is als bijw. een oud woord, vgl. ohd. barlîhho “absolute”, os. bar(a)lîko, ags. bærlîce “openlijk”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bar bijv., is, met afgeleide bet., het bijv. baar 5 (z.d.w.).

baar 5 bijv.(bloot), Mnl. baer, Os. bar + Ohd. bar (Mhd. bar, Nhd. baar), Ags. bær (Enz. bare), Ofri. ber, On. berr (Zw. en De. bar) + Arm. bok (d.í. *bos-k), Osl. bosŭ, Lit. bãsas, Lett. bass, waaruit blijkt dat in ’t Germ. de r over z uit s komt (vergel. was, waren). De nomin. was bar, de accus. baren, enz. (vergelijk dag, dagen) de vormen met ā hebben die met ă verdrongen, uitgenomen in bar en barrevoets (z.d.w.). — Baar geld = bloot geld, als men het iemand bloot voor de oogen legt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bas, bw.: naakt, bloot. Vooral tautologisch in basbarvoets, bas en berrevuuts, barsbaarves ‘barrevoets, blootsvoets’. Bas door assimilatie rs > s uit bars, met adverbiale –s uit Mnl. baer ‘naakt, bloot’, vgl. E. bare ‘naakt’, in familienaam De Baere.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1bar b.nw.
1. Kaal, dor, onvrugbaar. 2. Guur, onstuimig. 3. Onvriendelik, stuurs. 4. Erg, in 'n hoë mate.
Uit Ndl. bar (1626 in bet. 1, 1814 in bet. 2, 1871 in bet. 3 en 4).
Eng. barren (ongeveer 1386).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

baarze (in de -klompen) met blote voeten in de klompen (Uden). = indirect gebruikt bnw., identiek met bare (onzin), eerste deel van barrevoets, verbogen vorm van mnl. baer ‘bloot’ (= hgd. bar ‘zonder’, eng. bare ‘bloot’, no. bar ‘bloot’, eerste deel van russ. bosikóm ‘blootsvoets’). De rz is klankwettig ‹ r; vgl. Meierijs taars ‘teer’ (= teer).
OV I 195, Weijnen 1991, 140.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bar I: (boekw.) “dor; guur; stuurs”; Ndl. bar/baar (Mnl. baer, dial. bar/bare), Eng. bare, hoofs. Germ. verw.

bar II: “kroeg”; Eng. bar (uit Ofr. barre uit Ll. barra) hou verb. m. baar IV (q.v.).

bar III: “intern. term v. eenheid van druk”; hou verb. m. Gr. baros, “gewig”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels barraclade, zelfgemaakte wollen deken zonder pool (Craigie).
- Van Nederlands baar kleed, bare kleden, van baar ‘kaal, naakt, zonder pool’ en kleed; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en inmiddels verdwenen.
* Het woord wordt alleen in woordenboeken en woordenlijsten genoemd (Farmer, Clapin, Carpenter, Webster 1913, Neumann), die kennelijk allemaal gebaseerd zijn op Bartlett (1848). Het wordt zelfs niet vermeld in Schele de Vere’s Americanisms, gepubliceerd in 1872. Wellicht is het een overblijfsel van de oudste Nederlandse kolonisten - daarop wijst ook de verbastering in het Amerikaans-Engels - en was het in de negentiende eeuw al nauwelijks meer in gebruik.
1848 This word is peculiar to New York City, and those parts of the State settled by the Dutch. (Bartlett)
1889 Barraclade. - A term which has descended from the old knickerbocker days and is now almost exclusively confined to the regions settled by the Dutch. Barraclade, from the Dutch barre kledeeren is a home-spun blanket destitute of nap.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bar* naakt 0820-822 [Gysseling 1960: 90]

bar* bijwoord van graad: erg 1850 [WNT]

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

bar, [ba:r, bɑr] Koenen 1940 (second homographic lemma); Koenen 1974 (second homographic lemma); Van Dale 1976 (second homographic lemma). Compounds/derivations: barpersoneel; huisbar (Koenen 1974; Van Dale 1976), service-bar. Loanword from English bar n. (= drinks counter)

bar, plural bars, de [ba:rs, bɑr/s] Koenen 1940 (second homographic lemma); Koenen 1974 (second homographic lemma); Van Dale 1976 (second homographic lemma) Compounds/derivations: bareigenaar, barwereld; grillbar, snackbar. Loanword from English bar n. (= establishment)

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhoso-s ‘nackt’

Ahd. bar ‘nackt, bloß’ (*baza-), nhd. bar, ags. bær, aisl. berr ‘nackt, bloß’; lit. bãsas, lett. bass, aksl. bosъ ‘barfuß’; arm. bok ‘barfuß’ (*bhoso-go-).
Wie gr. ψ-ιλός wahrscheinlich zu bhes- ‘abreiben, abscheuern’ (und ‘zerreiben’), also ursprgl. von kahlgewetzten Stellen, vgl. Kretschmer KZ. 31, 414.

WP. II 189, Meillet Esquisse 38, Trautmann 28.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal