Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bank - (meubelstuk; ondiepte in zee; bewaarplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bank 1 zn. ‘zitplaats, meubelstuk; ondiepte in zee’
Mnl. banc ‘meubelstuk’ [1240; Bern.], ‘werktafel, winkelbank’ in de samenstelling wissel bank [1285; CG II, Rijmb.]; ‘rechtbank, schepenenbank’ in voer die banke [1340-79; MNW]; vnnl. banc(k) ‘ligplaats van schepen’ [1536; MNHWS], ‘ondiepte in de zee’ [1645; WNT bult I].
Algemeen Germaans woord met oorspr. betekenis ‘heuveltje’; de huidige betekenis ‘verhoging in zee’ ligt hier nog dicht bij. Uit ‘heuveltje’ ontwikkelde zich ‘zitplaats’, waaruit ‘zit-, ligbank’, ‘op banken zetelend college’ en ‘werkbank, -tafel’ zijn ontstaan.
Os. bank ‘zitplaats, rechtbank’; ohd. banch ‘zitbank’ (nhd. Bank ook ‘zitplaats’); ofri. bank, benk (nfri. bank ‘meubel, tafel, toonbank; stapel, verheffing in zee, harde bodemlaag’); oe. benc ‘zitplaats, rechtbank’ (ne. bench), bank ‘heuvel’ (ne. bank); on. bekkr ‘zitbank’ (nzw. bänk ‘id.’); < pgm. *banki- ‘heuveltje’.
Het Germaanse woord betekende oorspr. ‘heuveltje’ (verwant met on. bakki ‘heuvel’ < *banka(n)). De verdere etymologie is onduidelijk en omstreden. In elk geval hoort het niet bij Sanskrit bhañj- ‘verbreken’. Het gaat hoogstwrsch. om een substraatwoord.
De polysemie van het inheemse bank was in het Middelnederlands hoger dan nu. Diverse betekenissen van toen zijn overgegaan op samenstellingen met -bank als tweede lid. In zandbank ‘zandige verhoging in zee of rivier’ (Sant-Banck [1633; WNT zandbank]) vinden we de oorspr. Germaanse betekenis van het woord terug; het relatief laat geattesteerde mistbank [1881; WNT mist I] kan hiernaast geplaatst worden: beide zijn een obstakel, plat (in de breedte veel groter dan in de hoogte), en bestaan uit materie die door het eerste lid wordt aangeduid. In rechtbank (rechtbanck [1612; WNT wederpart]) heeft bank de overdrachtelijke betekenis ‘zetel van het recht’. Van een zitfunctie is geen sprake meer in pijnbank ‘folterwerktuig’ (pijnbanck [1556; WNT pijnbank]) en toonbank ‘uitstaltafel’ (tombanck (met assimilatie) [1567; WNT], toonbanck [1613; WNT voordoen II]), en evenmin in draaibank ‘werktuig waarmee men voorwerpen kan laten draaien om deze met gereedschappen te bewerken’ (draeibanck [1662; WNT draaibank]) en werkbank ‘werktafel’ (werckbanck [1556; WNT werken I]); hier is bank bijna synoniem met tafel.
Samenstellingen met bank ‘zitmeubel’ zijn doorzichtig; genoemd wordt hier alleen slaepbanck ‘bank die opengeslagen kan worden om op te slapen’ [1618; WNT slaapbank].

bank 2 zn. ‘geldinstelling; centrale bewaarplaats’
Mnl. banc ‘geldinstelling’ [1467; MNHWS]; vnnl. in banco ‘in, op de bank’ [1686; WNT uittrekken], per banco ‘via de bank’ [1673; WNT voldoening]; nnl. in de samenstellingen bloedbank ‘centrale waar bloed wordt afgenomen en bewaard voor transfusie’ [1952; Koenen], databank ‘groot gecomputeriseerd gegevensbestand’ [1971; WNT Aanv.], spermabank ‘opslagplaats van sperma voor inseminatie’ [1977; Kramers III].
In de betekenis ‘geldinstelling’ ontleend aan Italiaans banco ‘id.’. Het Italiaans heeft dit woord uit het Germaans overgenomen in de vorm banco (later ook banca) ‘zitplaats’ [voor 1321]; het is dus hetzelfde woord als → bank 1. De gespecialiseerde betekenis ‘geldwisseltafel, geldbank’ [voor 1342] is in het Italiaans ontstaan bij de opkomst van het bankwezen. De belangrijke rol die de Italianen speelden in het geldverkeer in de 15e en 16e eeuw, zorgde ervoor dat het woord in deze betekenis zich verspreidde door geheel Europa (zie ook → bankroet). Aangezien Nederlands bank toen al de betekenis ‘werk-, winkeltafel’ had gekregen, werd de ontleende vorm banco al snel vernederlandst.
In de betekenis ‘centrale bewaarplaats’ (in samenstellingen) ontleend aan het Engels. In het Engels heeft zich uit bank ‘geldbewaarplaats’ ook een algemene betekenis ‘opslag- of bewaarplaats’ ontwikkeld. Dit heeft in het Nederlands voor enkele leenvertalingen gezorgd, bijv. bloedbank uit Engels blood bank [1942; OED]; databank uit Engels data bank [1970; OED]; en spermabank uit Engels sperm bank [1963; OED].
De Italiaanse vorm bleef echter gehandhaafd in de betekenis ‘bankgeld’ [1611; De Bruijn-van der Helm 1992] en na voorzetsels: met name in de pas laat in de 20e eeuw enigszins in onbruik rakende termen in banco en per banco ‘via de bank’.
Lit.: De Bruijn-van der Helm 1992

EWN: bank 1 zn. 'zitplaats, meubelstuk; ondiepte in zee'; de betekenissen 'rechtbank' (1340-97) en 'zandbank' (1645)
ANTEDATERING: buten banke 'buiten de rechtbank' [1281; VMNW]; extra banc 'buiten de zandbank' [1293; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

EWN: bank 2 zn. 'geldinstelling; centrale bewaarplaats'; de betekenis 'centrale bewaarplaats' (bloedbank 1952)
ANTEDATERING: zogenaamde "bloedbanken" [1939; Vlissingsche courant (KZ) 30/12]
Later: Internationale Friese Spermabank [1959; LC 11/9] (EWN: 1977); databank [1968; Staten-Generaal digitaal, 2e Kamer 1967-1968, Aanh. 781] (EWN: 1971)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bank* [meubelstuk, geldbedrijf] {banc [zitbank] 1201-1250; de betekenis ‘geldbank’ 1467} vgl. middeleeuws latijn bancus, banca [heuvel, dijkje, zitbank, toonbank, geldbank], uit het germ., vgl. oudsaksisch bank, oudhoogduits banch, oudfries bank, benk, oudengels benc (engels bench), oudnoors bekkr [bank], naast bakki [heuvel]; de betekenis ‘heuvel, dijkje’ is de oorspronkelijke, via ‘zitplaats’ ontwikkelde zich daarna de andere, vgl. engels bank [oever]. De betekenis ‘geldbank’ is geleend uit het it. De uitdrukking door de bank (genomen), middelnederlands dore die banc, betekent oorspr. ‘het gemiddelde van de vis- en andere banken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bank 1 znw. v., ‘zitbank’, mnl. banc v. m., os. bank v., ohd. banch m. v., ofri. bank, benk v., oe. bene v. (ne. bench), on. bekkr m. De grondvorm *banki staat naast *bankan in on. bakki m. ‘verhoging, heuvel, rivieroever’. — oi. bhanj ‘buigen, breken’, bhanga ‘breuk, vouw’, lit. bangà ‘golf’, oiers bongim ‘breken’ (Wood, MLN 15, 1900, 95).

Dit voert op de idg. wt. bheg ‘buigen’, die men ook voor germ. *baka ‘rug’ (vgl. achterbaks) aanneemt; de betekenisontwikkeling zou dan zijn ‘gewelfde verhoging, aardrand, waarop men zitten kan’, daarna ‘zitplaats van hout gemaakt’. Men kan denken aan de aardwal om de dingplaats waarop de mannen zaten, en waarvoor later banken gebruikt werden. — Er is ook een wt. *bheg, bheng ‘slaan, breken,’ waarvoor vgl. ozwe., noorw. banka en abl. nnl. bonken (zie aldaar). Daarmee is echter moeilijk verband te zien, wat de betekenis betreft (uit planken ineengeslagen bank? platgeslagen aarde voor een zitplaats)?

bank 2 znw. v., ‘bankinstelling, speelbank’, sedert Kiliaen bancke < ital. banco naast banca, dat eigenlijk bank 1 betekent. Oorspr. de tafel van de geldwisselaar, die op de Middeleeuwse markten opgesteld was (zie: bankroet), daarna instituut waar de geldzaken konden worden afgedaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bank I (zitbank enz.), mnl. banc v. m. = ohd. banch m. (nhd. bank v.), os. bank v., ofri. bank, benk m., ags. benc v. (eng. bench), on. bekkr m. “bank”, germ. *ƀaŋki-. Mogelijk is verwantschap met ier. bongim “ik breek”, lit. bangà “golf” (voor de bet. vgl. beek; zie ook bij bonk), oi. bhaŋgá- “breuk, golf”, bhanákti “hij breekt”; *ƀaŋki- zou dan beteekenen: “een door slaan, houwen, beitelen vervaardigd voorwerp”. Vgl. nog on. bakki m. “heuvel, oever, wolkenbank, rug (van een mes e. dgl.)”. Opvallend is het, dat de wortels bheŋg-, bheg- (zie beek) en bhreg- (zie breken) met dezelfde bet. naast elkaar voorkomen. Zie nog brink.

bank II (bank-instelling, speelbank), sedert Kil: bancke. Uit it. banco (bij ons in de 17. eeuw ook in gebruik) = banca “bankinstelling”. Dit it. woord is internationaal geworden: fr. banque, hd. eng. bank enz. It. banco, banca gaat op het germ. onder bank I besproken woord terug. Voor de bet.-ontwikkeling vgl. lat. mensa, gr. trapeza. In het Mnl. komt al banc van lêninghe voor. Dit zal wel ’t gewone mnl. banc (bank I) zijn. Vgl. banket.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bank I (zitbank). Ofri. bank, benk is v., ohd. banch m. en v.

bank II (bank-instelling, speelbank). Het bankbedrijf in zijn oudste vorm bestond in het wisselen van geld. Men moet dus uitgaan van een oudste bet. ‘tafel, bank van den geldwisselaar’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bank v. en dial. m., Mnl. banc v. en m. Os. bank v. + Ohd. banch m. (Mhd. banc, Nhd. bank v.), Ags. benc v. (Eng. bench), Ofri. bonk, On. bekkr m. (Zw. bänk, De. bænk) + Lat. pango = vastmaken, Gr. pẽgma = stellage (hier werd, volgens Bugge, Idg. p Germ. b i.p.v. f; z. voegen). Fr. banc, It. banco gaan terug op bank m., Fr. banque en It. banca op bank v.; uit banque, banca, komen Ndl., Hgd., Eng. bank = kredietinstelling.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

baank (zn.) geldinstelling; Middelnederlands banc <1467>.

baank (zn.) meubelstuk; Vreugmiddelnederlands banc <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bank I: “sitbank, regbank, pynbank, sandbank, wolkebank”; Ndl. bank (Mnl. banc(ke), Ofri. bank/benk, vgl. On. bakki/bekkr), Hd. bank, Eng. bench – hoofs. ’n Germ. wd.

bank II: “geldbank, speelbank”; Ndl. bank (sedert Kil bancke) soos Hd. en Eng. bank, Fr. banque uit It. banca/banco, wsk. in bet. “bank of tafel v. geldwisselaar” en dan onregstreeks verb. met Germ. wd., bank I.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bank (Italiaans banco)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bank ‘geldbank’ -> Noord-Sotho panka ‘geldbank’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa bhanki ‘geldbank’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe bhange ‘geldbank’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho banka ‘geldbank’ (uit Afrikaans of Engels); Papiaments † banki ‘geldbank’; Sranantongo bangi ‘geldbank’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans bánku ‘geldbank’; Sarnami bánk ‘geldbank’.

bank ‘zandbank; ondiepte’ -> Zweeds bank ‘dijk, wal; zandbank’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch dialect † bánka, bánok ‘zandbank; ondiepte’; Oekraïens † bánka, bánok ‘zandbank; ondiepte’ <via Russisch>; Litouws banka ‘zandbank; ondiepte’; Sranantongo bangi ‘zandbank’ (uit Nederlands of Engels).

bank ‘meubelstuk’ -> Russisch bánka ‘bank in een sloep voor de roeiers; matrozenverblijf tussen twee geschutstukken op een scheepsdek; (boeventaal) stoel, kruk’; Zuid-Afrikaans-Engels bankie ‘steenrichel, terras; klein zitmeubel’ <via Afrikaans>; Indonesisch bangku ‘meubelstuk’; Balinees bangku ‘meubelstuk’; Boeginees bângko ‘meubelstuk’; Javaans bangku ‘houten zitbank; tafel’; Madoerees bangko, bangku ‘rustbank, canapé’; Makassaars bângko ‘schoolbank; rustbank, divan’ (uit Nederlands of Portugees); Menadonees bangku ‘meubelstuk’; Minangkabaus bangku ‘meubelstuk’ (uit Nederlands of Portugees); Savu b̄agu, b̄ago ‘meubelstuk’; Soendanees bangku ‘meubelstuk’; Javindo bang ‘meubelstuk’; Singalees banku-va ‘meubelstuk’ (uit Nederlands of Portugees); Japans † banko ‘meubelstuk’; Negerhollands bank, banki ‘meubelstuk’; Papiaments banki ‘meubelstuk’; Sranantongo bangi ‘meubelstuk’; Saramakkaans bángi ‘meubelstuk: zitbankje’; Arowaks bañka ‘meubelstuk’; Karaïbisch bangi ‘meubelstuk’ <via Sranantongo>; Sarnami bángi ‘meubelstuk’; Surinaams-Javaans bangi ‘meubelstuk’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bank* meubelstuk 1240 [Bern.]

bank geldbank 1467 [HWS] <Italiaans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1587. Een muurbloem

is een meisje, dat op een bal weinig ten dans genoodigd wordt en aan den kant tegen den muur blijft zitten; vgl. op de lange bank zitten, gezegd van meisjes, die met de kermis geen vrijer hebben, doch in de herberg op de bank tegen den wand blijven zittenTaal en Letteren IX, 127.. De naam schijnt pas uit onzen tijd te dagteekenen. In het Duitsch kent men eveneens ein Mauerblümchen naast een ww. Rüben schrapen; Petersilie pflücken; eng. a wallflower; in het fr. zegt men faire tapisserie; in Zwitserland vendre des poires.

37. Op de AB-bank zitten,

d.i. op de onderste schoolbank zitten, de eerste beginselen leeren, nog uit het ‘Ab-boek’ leeren. Vgl. Sewel, 22: Iemand na 't A, B of kinderschool stuuren, to send one to the A, B school; Halma, 1: Hij is nog een abeceling, of nieuweling in de wetenschappen, il est encore aprenti, il n'est que fort peu avancé dans la connoissance des choses; ook Sewel, bl. 22, die abeceling vertaalt door an abecedarian (lat. abecedarius, fr. abécédaire). In de 16de eeuw noemde men zoo iemand een abc ionghe (Plantijn); 17de eeuw: een abc klerk. Vgl. het fri.: abiebern, abieciejonge; abiebankje; hd. noch auf der Abc bank sitzen; eng. to be still (or only) at the ABC.

154. Door den band,

d.w.z. door elkander gerekend, gemiddeld. In de 17de eeuw reeds gebruikelijk, volgens Winschooten, 15: sij sijn door den band soo, dat is, de een soo goed, als den andere; hd. durch das Band; fri. troch de bân. Tuinman heeft m.i. reeds de juiste verklaring van deze uitdrukking gegeven; zie I, 364, waar hij zegt: ‘dit zal overgebragt zyn van gebonden koornschooven, of takkebosschen, die elkanderen meest plegen gelijk te zyn, en d' eene tegen de andere gerekent worden’. Hij vergist zich echter met Winschooten, als hij meent dat de uitdr. door de bank (mnl. dore die banc; hd. durch die Bank; nd. dorch (in) de bank; fri. troch de of 'en bank) hiervan eene verbastering is, daar dit eigenlijk wil zeggen de verschillende vleesch- of vischbanken door elkander genomen, dus: het gemiddelde; zie Noord en Zuid XIX, 28; Hist. Gen. 4, 16, 241; Huygens VII, 287: Vier wijfjens, door de banck van redelyck gerucht; Halma, 117: Door de bank, door den band, gemeenlijk, ordinairement. Steun vindt deze verklaring in het syn. door de mand (vgl. Noord en Zuid XXIV, 252) en de Zuidnederl. uitdr. door (deur) den bot, waarin bot een bos of bundel (fri. botte) beteekent, zoodat deze uitdr. eigenlijk wil zeggen de verschillende bossen of bundels door elkander genomen, het gemiddelde. Vgl. Schuermans, 71 b; Antw. Idiot. 182; Waasch Idiot. 166 b: deurbandig, in 't algemeen, door den band; Ndl. Wdb. III, 675.Paul, Wtb. 59 verklaart durch die Bank als ‘alle ohne Unterschied, eigentl. hinter einander weg, wie sie auf der Bank sitzen’.

158. Achter de bank,

meestal verbonden met liggen en raken, soms met werpen of schuiven, wil zeggen in onbruik raken, vergeten worden en verwerpen, ter zijde stellen, afschaffen; zie het Ndl. Wdb. II, 978; Pers, 882 a. In het Friesch zegt men eveneens efter 'e bank reitsje, achter de bank raken, achteraan, uit de mode raken, buiten gebruik komen; hd. unter der Bank liegen, unbeachtet. Men kan onder de bank hier de zitbank verstaan, die langs den wand stond, en waarachter licht iets kon vallen of weggesmeten worden, zoodat men het vergat (Tuinman, I, 350; zie no. 161). De uitdr. komt in de 16de eeuw voor in Marnix' Byenkorf; Anna Bijns, Refr. 159 spreekt van iets van achter de bank halen (vgl. hd. etwas unter der Bank hervorziehen), doch gebruikt evenzeer iets achter tscrage steken in hare Refreinen, bl. 10: ‘de waerheyt steect men heel achter tscrage’, waarmede te vergelijken zijn de hd. uitdrukkingen hinter die Bank, die Kiste werfen, legen, schmeiszen en hinter den Ofen setzen (zie Erasmus, bl. 333); de ndl. hij ligt achter de kist; vgl. Servilius, 50: Hi leyt achter de kiste; Sartorius, II, 9, 73: Het leydt achter de kist; aen een verroeste spijcker vergeten.

160. Zoo vast (sekuur, zeker) als de bank,

d.w.z. zoo zeker, zoo te vertrouwen als de Nederlandsche bank. ‘De zekerheid der Amsterdamsche bank was ten spreekwoord geworden, om eene zekerheid, welke boven alle bedenking verheven was, aan te duiden’; Ndl. Wdb. II, 981. Ook als de bank zijn, o.a. M.z.A. 161: 't Was zijn trots dat hij (een kruier) van zich zelven kon zeggen, dat hij ‘als de bank’ was. In het Friesch: dat stiet sa fêst as de bank; sa grif, sa wis as de bank. Eertijds in Zaandam: zoo wis als Calf; in Amsterdam: zoo wis als Pels, twee bekende handelaars. Zie Nav. XXXIX, 237; Harrebomée II, 177 a; hd. so sicher wie die Bank; eng. his word is as good as the bank; fr. solide comme la banque de France.

161. Iets niet onder stoelen of banken steken,

d.w.z. iets niet voor zich houden, er geen geheim van maken. Vgl. in het Mnl. overdrachtelijk: iet onder den stoel steken, iets verbergen; in de 16de eeuwLeuv. Bijdr. IV, 338.: Ick en steecks onder geen scraghe; in de 17de eeuw bij Winschooten, 15; Gew. Weeuw. I, 37; De Brune, 389:

 Een man, die 't onder stoel of banck

 Niet steken zal, om yemants danck.Vgl. verder C. Wildsch. 237: Uw vlugt met den ondeugenden schelm heeft hem den dood gedaan; ja dat steek ik niet onder stoelen of banken; Tuinman I, 350; Halma, 40: Hij steekt het onder stoel nog bank, hij zwijgt het voor niemand; hij zegt het al de waereld; Schuermans, 682 a; De Bo, 1103; Rutten, 218 a; Waasch Idiot. 91 b: Zijn gedacht achter stoelen noch banken steken; Joos, 63: Zijn geloof achter stoelen noch tafels steken; Teirl. II, 8: 'k En steek het achter geen hagen en kanten, ik zeg, ik doe het in 't openbaar; fri. hy stekt it net ûnder stoellen en banken.

2179. Voor stoelen en banken preeken (praten, spelen),

d.i. voor een bijna leege kerk of zaal preeken of spelen; spreken zonder aangehoord te worden. Vgl. Westerbaen III. 701: Voor leege stoelen en houte banken preeken; Van Effen IV, 106; XI, 214: Voor stoelen en banken preeken; Harreb. I, 31 a; Het Volk, 5 Juni 1914 p. 1 k. 3: Landdagen dat waren voor menigen vrijzinnigen spreker die voor stoelen en banken sprak, dagen dat-ie 't land had; Antw. Idiot. 841 en Waasch Idiot. 449: veur de muren spreken; fr. jouer devant les banquettes; hd. vor leeren Bänken spielen; eng. to play to empty benches.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bheg-, bheng- ‘zerschlagen, zerbrechen’

Ai. bhanákti, Perf. babháñja ‘brechen’ (erst nachträglich nach der 7. Klasse umgebildet), bhaŋga-ḥ ‘Bruch; Welle’ (vgl. lit. bangà ‘Welle’), bhañji-ḥ ‘Brechung, Beugung, krummer Weg, Absatz, Stufe, Welle’;
arm. bekanem ‘breche’, bek ‘zerbrochen’;
aber phryg. βεκός ‘Brot’, eigentlich ‘Brocken’ (?) hat unerklärtes k;
air. bongid, -boing ‘bricht, erntet, siegt’ Vbnom. búain (*bhog-ni-), enklitisch -bach, -bech (*bhogo-m), Thurneysen Grammar 447, 461; Pass. Prät. -bocht, vielleicht = bocht ‘arm’; das nasallose Prät. buich hat wohl sekundäres u (vgl. air. mag ‘Feld’, Dat. muig < *mages), so daß es nicht nötig ist, an *bheug(h)- ‘biegen’ anzuknüpfen; mcymr. di-vwng ‘unbeugsam’; zur Bedeutung ‘besiegen’ vgl. air. maidid for nech ‘es bricht über einen herein’ = ‘er wird besiegt’. Auf о weist auch mir. boimm ‘Bissen’ aus *bhog-smn̥;
lit. bangà ‘Welle, Menge, Platzregen’, prabangà ‘Übermaß’, lett. buogs ‘dichte Menge’, dazu lit. bangùs ‘rasch, heftig’ (von Bächen und Regengüssen), bingùs ‘mutig’ (von Pferden), bengiù, bengiaũ, beñgti ‘beenden’, pabangà f. ‘Beendigung’; pr. pobanginnons ‘bewegt’; in der Bed. ‘beendigen’ entstehen durch Ablautentgleisung Formen mit ei, ai (vgl. Endzelin Lett. Gr. 60) in lett. beĩgas Pl. ‘Ende, Neige’, lit. pabaigà ds., beigiù und baigiù ‘ende’, lett. bèidzu ds.; da lett. buoga auch ‘steiniger Platz’ bedeutet, gehört wohl auch russ. búga ‘überschwemmtes Waldgebiet’ hierher; anders über beig- (zu bhei- ‘schlagen’) Kuiper Nasalpräs. 184.
Die folgenden Formen sind wegen des Auslautes und wegen der Bedeutung fernzuhalten und wohl als Schallworte zu deuten:
germ. *bang- ‘schlagen’ in aisl. banga ‘schlagen’, bang ‘Lärm’, engl. bang ‘klopfen, schlagen’, mit Ablaut mhd. mnd. bungen ‘trommeln’; ndd. bengel ‘Knüppel, Lümmel’ = nhd. Bengel, engl. dial. bangle ‘Knotenstock’, anord. Beiname bǫngull.
Dazu mit intensiver Konsonantenschärfung:
germ. *bank- in aschwed. banka, abl. bunka ‘schlagen, klopfen’, obd. bunken ‘klopfen, stoßen’, mnd. bunken, ndl. bonken ‘schlagen, prügeln’.
Lett. bungã ‘Trommel’, bunga ‘Schlag’ stammen wohl aus dem Mnd.

WP. II 149 f., WH. I 503, 541, Trautmann 26.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal