Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

banabeki - (bosvogel)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ba’nabeki (de, -’s), naam voor twee soorten oropendola, beide zwart, de ene met een gele rug (geelrugoropendola, Cacicus cela), de andere met een rode rug (Cacicus haemorrhous). Banabekies zijn bosvogels en het broeden in zo’n open, vrijstaande boom is een riskante zaak (Feekes 23). - Etym.: S (bana = banaan; beki = o.m. snavel; de snavel is geel als een banaan). Oudste vindpl. Spalberg 1899; 1979: 6. - Opm.: Teenstra (1835 II: 427) gebruikt de naam, naast banannenvogel*, ook voor de verwante ponpon* en voor een soort die S banafowroe (Icterus nigrogularis) heet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal